Voor de start: 
  1. Trim voor neutraal
  2. Veld vrij en checken windrichting
  3. Voldoende afstand tot obstakels
 
Tijdens het rollen over de grond: 
  1. Propwash opvangen
  2. Op het hoofdwiel balanceren
  3. Het weerhaaneffect opvangen
  4. Ontkoppelen als het zweefvliegtuig uitbreekt
 
Tijdens het slepen:
  1. Na het loskomen laag blijven
  2. Een bocht niet afsnijden
Bij de dalende sleepvlucht: 
  1. Juiste positie achter het sleepvliegtuig houden
  2. Een beetje kleppen gebruiken
 
De cockpitcheck doe je aan de hand van de cockpitchecklist. Als die er niet is, gebruik je een ezelsbruggetje. Bijvoorbeeld: KIST-OK VW. Met VW concentreer je je op: Veld Vrij, Windrichting en ‘Wat Als’.  Bij een sleepstart is dit extra belangrijk. Zijn er geen obstakels en is er voldoende ruimte voor het geval dat de combinatie sleepvliegtuig en zweefvliegtuig na het loskomen wordt weggezet door de wind. Denk voor de start ook altijd even aan ‘Wat Als’. Wat doe je als het sleepvliegtuig de start afbreekt (sleepvliegtuig naar links en zweefvliegtuig naar rechts). Wat als de start onder de 75 meter wordt afgebroken (landen in de windrichting). 
Het sleepvliegtuig vliegt met een snelheid van ongeveer 110 km/h. Daarom zet je voor de start de trim verder naar voren dan bij normaal vliegen. Zorg ervoor dat het zweefvliegtuig precies goed in de startrichting staat. Wanneer het zweefvliegtuig net begint te rollen kun je de eerste meters de richting bijna niet veranderen omdat het zweefvliegtuig nog met twee wielen aan de grond over de baan rolt. Dit geldt ook voor een zweefvliegtuig met een schaats.
 
 
Tijdens het rollen over de grond
De eerste meters van de sleepstart houd je de stuurknuppel neutraal. Je concentreert je op grote uitslagen met de rolroeren. De propeller veroorzaakt een draaiende luchtstroom achter het sleepvliegtuig. Dit noemen we ook wel de propellerslipstroom of propwash. Tijdens het sleepvliegen vlieg je boven deze turbulente stroming maar bij het rollen over de grond zit je hier midden in en omdat de sleepvlieger volgas geeft, is de hinder dan het grootst. Het vliegtuig wil door de propwash een rolbeweging inzetten en alleen door grote rolroeruitslagen kun je dit tegengaan. Mocht een tip de grond raken en kun je dit niet direct corrigeren, dan moet je ontkoppelen. Net als bij de lierstart houd je de hand in de buurt van de ontkoppelknop. Houdt de knop niet vast want dan loop je het risico dat je hem door turbulentie onbedoeld aantrekt.  Met het toenemen van de snelheid worden de roeren effectiever. Je moet nu op het hoofdwiel balanceren. Hoe je dat doet hangt af van het soort vliegtuig waar je in zit. 
 
Zweefvliegtuig met neuswiel of met een neusschaats
Bij een zweefvliegtuig met een neuswiel bevindt het zwaartepunt zich voor het hoofdwiel. Zolang het neuswiel stevig op de grond drukt, kun je de richting van het zweefvliegtuig niet veranderen. Je moet dus het neuswiel van de grond trekken. Je doet tijdens het rollen de stuurknuppel naar achteren totdat het neuswiel omhoog komt. Daarna vier je de stuurknuppel iets, zodat je alleen op het hoofdwiel balanceert. Als je te veel trekt aan de stick dan komt het staartwiel aan de grond en bovendien trek je het zweefvliegtuig dan te vroeg ‘los’(bij een te lage snelheid). Bij voldoende snelheid begint het vliegtuig vanzelf te vliegen. Er zijn (gelukkig) ook nog KA13's, waarbij de neusschaats vóór het wiel op de grond staat. Daarbij moet in de start 'getrokken' worden tot je op het wiel rijdt.
 
Zweefvliegtuig zonder neuswiel
Een zweefvliegtuig zonder neuswiel heeft het zwaartepunt achter het hoofdwiel zitten. Ook nu moet je zo snel mogelijk het  achterste wiel of de slof van de grond zien te krijgen.  Dus op het hoofdwiel balanceren. Om de staart van de grond te krijgen, moet je de stuurknuppel naar voren doen. Wanneer de neus naar voren gaat, breng je de stick weer terug, want de romp moet de baan niet raken. Ook nu geldt weer dat, bij voldoende snelheid, het zweefvliegtuig vanzelf wel begint te vliegen. 

Balanceren op het hoofdwiel en ‘lostrekken’
Als je niet op het hoofdwiel balanceert maar met de staart op de grond, dan loop je het risico op een lierachtige start. Bij het slepen aan de zwaartepuntshaak is dit risico nog groter. Bij veel zweefvliegtuigen is het verstandig om het vliegtuig niet direct bij de minimum vliegsnelheid ‘los te trekken’, maar even te wachten op iets meer snelheid. Wacht echter niet te lang met ‘loskomen’ en zorg er voor dat je direct mee omhoog gaat als je het sleepvliegtuig ziet stijgen.  
 
 
 
Het weerhaaneffect
Het slepen mag alleen plaatsvinden als de wind niet harder waait dan 20 knopen. Bij zijwind ligt de limiet nog lager omdat zowel het sleepvliegtuig als het zweefvliegtuig
behoorlijk hinder ondervinden van het weerhaaneffect. De wind oefent van opzij een kracht uit op het verticale kielvlak. Wanneer je net op het hoofdwiel balanceert, ondervind je hiervan de meeste hinder. Deze kracht moet door een richtingsroeruitslag 'tegen' (wind van links, dan met de voeten het richtingsroer aan de rechterkant intrappen), worden opgevangen, omdat anders het zweefvliegtuig uit z'n koers achter het sleepvliegtuig wordt gedraaid.  
 
 
 
'Weggezet na loskomen'
Het zweefvliegtuig komt meestal eerst 'los' terwijl het sleepvliegtuig nog over de baan rolt.  Als er dwarswind is verplaatst het zweefvliegtuig zich opzij (zie de afbeelding). De vlieger van het zweefvliegtuig dient dan zoveel op te sturen dat zijn positie midden boven de baan blijft. De neus van het zweefvliegtuig wijst dus in de richting van de zijwind naast het sleepvliegtuig. 
Opsturen laag bij de grond moet voorzichtig gebeuren, want de tip mag de grond beslist niet raken. Dus opsturen met het richtingsroer en weinig helling. Wanneer voldoende hoogte gewonnen is en men vrij van obstakels is, kan het zweefvliegtuig weer recht achter het sleepvliegtuig positie kiezen. De combinatie sleepvliegtuig en zweefvliegtuig stuurt dan als één geheel op.
 
Neushaak of zwaartepuntshaak
De neushaak  is voor het sleepvliegen gemaakt. Het zweefvliegtuig wordt dan aan zijn voorste uiteinde naar voren getrokken. Doordat dit punt ver voor het zwaartepunt ligt, corrigeert de sleepkabel het zweefvliegtuig enigszins. Dit is stabieler dan bij slepen aan de zwaartepuntshaak. De zwaartepuntshaak bevindt zich iets onder en voor het zwaartepunt van het vliegtuig. Vlak voor het hoofdwiel. Word je aan de zwaartepuntshaak omhoog gesleept, dan moet je op de volgende punten extra letten. 

•        Rollen over de sleepkabel
•        De neiging om te hoog t.o.v. de sleepkist te gaan vliegen
 
Bij het straktrekken van de kabel kan het zweefvliegtuig even beginnen te rollen en daarbij over de sleepkabel rijden. De kabel kan daarbij ontkoppelen of zelfs klem komen te zitten in de wielkast. Verder is het natuurlijk jammer als de kabel beschadigd wordt als hij klem zit tussen de grond en het wiel. 
Dit kun je voorkomen door de rem tijdens het straktrekken te gebruiken. Zit de rem aan de remklephendel, check dan tijdens het begin van de start of je de kleppen goed gelockt hebt. 
Wanneer het zweefvliegtuig bij het rollen over de baan voldoende snelheid heeft, begint het te vliegen. Doordat de kracht bij de zwaartepuntshaak onder het zwaartepunt aangrijpt, heeft het zweefvliegtuig de neiging om de neus omhoog te richten. Er moet dan snel worden bijgedrukt.   
 
De klimmende sleep
Er zijn veel kleine en snelle correcties nodig om goed achter het sleepvliegtuig te blijven. Als je niets doet wordt een afwijking steeds groter. Hoe eerder je de afwijking corrigeert, hoe kleiner de benodigde correctie. Door de hoge snelheid is de roerwerking groot. Kleine uitslagen zijn al voldoende. 
 
De positie achter het sleepvliegtuig
De propeller van het sleepvliegtuig veroorzaakt een behoorlijke slipstroom. Om niet in deze propellerslipstroom terecht te komen, ga je daar boven vliegen. Je kiest jouw positie iets boven de slipstroom.  
 
 
De juiste positie achter het sleepvliegtuig is afhankelijk van het type sleepvliegtuig. Zo houd je bij het ene type de vleugels ervan op de horizon en bij een ander type houd je de wielen van het sleepvliegtuig op de horizon. Bij slecht zicht of bij vliegen in de bergen heb je een ander referentiepunt nodig. Bijvoorbeeld het kielvlak op het hoofd van de sleepvlieger, of de hoek van het stabilo t.o.v. de vleugels van het sleepvliegtuig. 
 
Je kunt ook even in de slipstroom zakken en dan daar iets boven gaan zitten. Wanneer de langsas van het sleepvliegtuig en de sleepkabel zo veel mogelijk één rechte lijn vormen, zit je er goed achter.   
 
Wanneer je te hoog t.o.v. het sleepvliegtuig zit dan bestaat de kans dat je de staart van de sleepkist optilt. Als het sleepvliegtuig daardoor onbestuurbaar dreigt te worden dan zal de sleepvlieger de kabel ontkoppelen of, bij een liersleepkabel, de kabel kappen. Een te hoge positie zorgt er ook voor dat het sleepvliegtuig niet optimaal klimt.  
 
 
In het buitenland wordt soms onder de slipstroom gesleept. Dit heet een laagsleep. Vraag op een voor jou vreemd veld daarom altijd wat de sleep- en de ontkoppelprocedure is. 
In Nederland wordt meestal gesleept met een kabel van 40 tot 75 meter. Een langere kabel is gemakkelijker voor beginnende zweefvliegers. Het zweefvliegtuig heeft dan naar alle kanten meer bewegingsruimte.  
 
 
Op de afbeelding zie je dat de zweefvlieger met een kabel van 50 meter lengte door turbulentie of een thermiekbel 10 meter stijgt. Met een lange kabel leidt dit niet tot een gevaarlijke situatie. Met een korte kabel kom je veel eerder in een kritieke situatie. Maar ook voor een lange kabel geldt dat hoe sneller je een afwijking corrigeert, hoe gemakkelijker het sleepvliegen gaat.
 
Wanneer het sleepvliegtuig, bijvoorbeeld door een thermiekbel, sterk stijgt of daalt, volgt het zweefvliegtuig kort daarna met stijgen of dalen. Een zweefvliegtuig is stabiel, d.w.z.dat na een verstoring het vliegtuig zo gemaakt is dat het zelf zijn juiste stand in de lucht herstelt. De combinatie sleepvliegtuig en zweefvliegtuig is onstabiel. Een verstoring wordt uit zichzelf alleen maar groter. Daarom is slepen een zeer geconcentreerde bezigheid, snel corrigeren vergemakkelijkt het slepen  enorm. 
 
 
Het maken van een bocht
Wanneer het sleepvliegtuig een bocht inzet, probeer je zijn cirkel te volgen. Als je tegelijk met het sleepvliegtuig een bocht inzet, ga je binnendoor en haal je het sleepvliegtuig in. De sleepkabel blijft dan niet strak. Begin daarom een paar seconden later aan de bocht, neem dezelfde helling aan als het sleepvliegtuig en richt de neus op de buitenste tip van het sleepvliegtuig. De hoek tussen sleepvliegtuig en kabel moet gelijk zijn aan die tussen zweefvliegtuig en kabel.
 
 
Begin daarom een paar seconden later aan de bocht, neem dezelfde helling aan als het sleepvliegtuig en richt de neus op de buitenste tip van het sleepvliegtuig. De hoek tussen sleepvliegtuig en kabel moet gelijk zijn aan die tussen zweefvliegtuig en kabel. 
 
 
 
Bij een motorzwever als sleepvliegtuig moet je niet helemaal op het uiteinde van de lange vleugel richten, maar meer halverwege de vleugel. Zo lang je het sleepvliegtuig ongeveer op dezelfde plaats in het midden voor je in de cockpitkap ziet, zit je goed.   
 
Dalend slepen
Wanneer het sleepvliegtuig ongeveer de afgesproken hoogte bereikt heeft, geeft het door rollen aan (waggelen met de vleugels) dat er ontkoppeld moet worden. Je ontkoppelt twee keer, kijkt of de kabel inderdaad los is en zet dan een bocht in (afhankelijk van de lokale afspraken naar rechts of naar links). Je kijkt of er geen andere kisten zitten en maakt een klimmende bocht, want de oversnelheid, die je bij het slepen had, zet je om in hoogte tot je de normale vliegsnelheid bereikt hebt. Het sleepvliegtuig vliegt eerst nog even rechtdoor, want ook hij checkt of er ontkoppeld is. Als hij jouw zweefvliegtuig een bocht ziet maken, weet hij dat jij ontkoppeld hebt. Daarna gaat hij over in een dalende vlucht.  
 
 
Bij de oefening dalend slepen oefenen we de situatie dat de kabel niet wil ontkoppelen. Mocht deze zeldzame situatie je een keer overkomen dan maak je rolbewegingen met de vleugels (waggelen) en open je de kleppen om de sleepvlieger duidelijk te maken dat de kabel niet los wil. Je meldt het ook over via de radio. De sleepvlieger sleept je dan terug naar het veld. Bij de dalende sleepvlucht moet het zweefvliegtuig de remkleppen gebruiken om op de juiste positie achter de sleepkist te blijven. Je moet dit gedoseerd doen. Meestal is een kwart kleppen al meer dan voldoende en bij teveel dalen moet je de kleppen tijdig sluiten.
 
Bij een oefening dalend slepen brengt het sleepvliegtuig je terug naar de startplaats. Je vliegt op dezelfde hoogte van sleepvliegtuig of iets lager. Maar wel net boven de propellerslipstroom. Aangezien het sleepvliegtuig met weinig motorvermogen vliegt, merk je niet veel van de propwash.
 
Laag boven de grond kan de sleepvlieger de kabel ontkoppelen of bij een liersleepinstallatie kappen. Bij een oefening doen we dit niet en wordt het zweefvliegtuig weer omhoog gesleept. Zorg er wel voor dat je de kleppen lockt, want bij geopende kleppen kan het sleepvliegtuig niet meer klimmen. 
 
Waarschuwingssignalen  
  1. richtingsroer heen en weer bewegen
  2. waggelen met de vleugels
Tegenwoordig hebben de meeste sleepvliegtuigen en zweefvliegtuigen een radio. Als er iets is, kan dat direct gemeld worden. Mocht er geen radiocontact tussen beide zijn en de sleepvlieger constateert dat bijvoorbeeld dat de remkleppen open staan, dan beweegt hij snel achterelkaar het richtingroer heen en weer. Dit is het teken dat er iets met het zweefvliegtuig aan de hand is. 
Als het sleepvliegtuig op een ongebruikelijke hoogte overduidelijk gaat waggelen (dus niet per ongeluk een beetje waggelt door turbulentie), dan ontkoppel je direct. Gebeurt dit op een hoogte onder de 75 meter dan land je ergens in de richting van de wind.
 
Noodprocedures 
  1. optillen sleepkist
  2. slap hangen sleepkabel
  3. afbreken sleepstart
  4. knappen sleepkabel 
 
Wanneer het zweefvliegtuig, door turbulentie en doordat de zweefvlieger te laat reageert, zo ver boven het sleepvliegtuig wordt gesleept dat het sleepvliegtuig niet meer te zien is en bij de staart omhoog getrokken wordt, dan moet direct ontkoppeld worden. Lukt dit niet, omdat de kabel te strak staat, dan bijprikken en opnieuw ontkoppelen. In zo’n situatie zal ook de sleepvlieger proberen te ontkoppelen, omdat zijn vliegtuig onbestuurbaar geworden is. Sleepvliegen is een geconcentreerde bezigheid met veel kleine correcties. Even op de kaart kijken kan niet.  
 
 
 
Kabel slap
Wanneer de kabel, bijvoorbeeld door turbulentie, een beetje slap komt te hangen dan wacht je gewoon even. Hangt de kabel behoorlijk door, dan open je de kleppen iets. Je daalt dan iets meer dan het sleepvliegtuig, maar door de verhoogde weerstand komt de kabel weer strak. Voordat de kabel helemaal strak is, beëindig je het gebruik van de kleppen. 

   
  1. Op de afbeelding zie je bovenaan dat het zweefvliegtuig te hoog zit. 
  2. Hij zakt te snel (snelheid loopt op) en de kabel hangt slap. 
  3. Hij wacht even (eventueel iets kleppen) en de kabel komt weer strak. Om te voorkomen dat de kabel met een ruk strakgetrokken wordt, doe je vlak daarvoor de neus even naar beneden om de snelheid te verhogen en zo de klap op te vangen. 
Kabel breekt
Stel dat de kabel knapt, of de sleepvlieger ontkoppelt, wat doe je dan? De kabel terugslepen naar het veld lijkt dan voor de hand te liggen, maar de kabel kan tijdens het terugslepen om het zweefvliegtuig slaan. Het terugslepen van de kabel naar de startplaats is gevaarlijk en daarom ontkoppel je zodra je weet dat dat onder je geen gevaar oplevert.