2.5 DOELLANDEN
 
Een goed gevlogen circuit is een voorwaarde en voor een goede doellanding 
  1. Neem een richtpunt op zo'n 30 m voor het doellandingsveld.  
  2. Regel de snelheid met de stuurknuppel en de daalhoek met de kleppen. Kom, indien mogelijk, met half tot twee derde kleppen aanvliegen  
  3. Maak met stuurknuppel en remkleppen een volledig beheerste nette afgevangen landing.  
  4. Land met de juiste landingssnelheid, aangepast aan de weersomstandigheden.  
Een goede doellanding is iets anders dan een toevallige landing in het doellandingsveld. In het begin van de zweefvliegopleiding is je geleerd om de stand van de remkleppen onder de 10 m (als het enigszins kan) niet meer te veranderen en verder normaal af te vangen. Bij een doellanding is het juist de bedoeling het zweefvliegtuig met behulp van stuurknuppel en remkleppen op de gewenste plek goed afgevangen te landen. De oefening doellanden wordt afgetekend wanneer je 5 keer in een ononderbroken reeks, verdeeld over meer dan één zweefvliegdag, een goede doellanding maakt. In bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij kabelbreuk, kan de instructeur besluiten de betreffende vlucht niet te laten meetellen voor deze reeks. De instructeur beoordeelt de doellanding door te kijken naar het circuit, of de eerste aanraking met de grond plaats vindt in het doellandingsveld van 30m bij 30m en of het een perfect afgevangen landing is. 
 
Goed circuit 
Bij verschillende weersomstandigheden keurig doellanden lukt alleen als je de besturing van het zweefvliegtuig goed beheerst en ook nog volgens de juiste methode te werk gaat. Een goede doellanding begint met een juist gevlogen circuit. Je final begint dan op voldoende hoogte en voldoende afstand (meestal zo'n 90 m hoog en 500 m afstand) van het doellandingsveld. Wanneer je je final vliegt met de kleppen tot twee derde uit is dat ideaal. Je kunt dan, als dat nodig mocht zijn, nog naar twee kanten corrigeren. 
 
Het richtpunt 
Het zou natuurlijk ideaal zijn als je recht voor je in de kap op ooghoogte een vizier zou hebben (de hoogte van dat vizier zou moeten passen bij jouw lichaamslengte) en er zo'n 30 m voor het landingsveld een groot wit kruis als richtpunt zou liggen. Het enige wat je dan hoeft te doen is ervoor te zorgen door meer of minder kleppen het witte kruis (richtpunt) precies in het rondje van het vizier te houden en dat je met de stuurknuppel de landingssnelheid aanhoudt. Aangezien zweefvliegtuigen echter geen vizier hebben en er bij buitenlandingen ook geen kruis op de plaats van het richtpunt ligt, moet je leren die plaatsen zelf te bepalen. Het richtpunt moet in de cockpitkap tot het moment waarop je bijna gaat afronden dezelfde positie blijven innemen. Dit regel je met de remkleppen. Bij het afronden vlieg je over het richtpunt heen, waarna je precies in het doellandingsveld aan de grond komt. Op de volgende afbeeldingen is aangegeven wat je moet doen om een doellanding te maken en welke acties je uit moet voeren. 
 
 
Neem een richtpunt zo'n 30 meter voor het doellandingsveld en handel als volgt  : 
  1. Als de plaats van het richtpunt in de kap naar beneden verschuift dan zit je te hoog, => meer kleppen  
  2. Als het richtpunt op de juiste plaats recht voor je in de kap blijft dan zit je goed, => de kleppenstand niet veranderen  
  3. Als de plaats van het richtpunt in de kap omhoog gaat dan zit je te laag, => minder kleppen  
 
 
Invloed wind en oversnelheid 
Houd er rekening mee dat je bij hardere tegenwind na het afronden eerder aan de grond komt, want je grondsnelheid is lager. Bij hardere tegenwind moet je dus het richtpunt dichter bij het doellandingsveld nemen.  
 
Bij hardere tegenwind het richtpunt dichter bij het doellandingsveld nemen.

Houd de snelheid bij de nadering zo constant mogelijk. Bij oversnelheid wordt de afstand tussen afronden en landen groter en dus wordt de benodigde landingsruimte groter. Wanneer je bij windstil weer 10 km/h oversnelheid hebt land je met vol kleppen zo'n 40 m verder dan normaal. Bij oversnelheid plaats je het richtpunt iets verder voor het landingsveld. Bij krachtige tegenwind land je altijd met een verhoogde landingssnelheid omdat je terdege rekening moet houden met de windgradiënt en turbulentie. De landingssnelheid voor harde tegenwind is: de standaard landingssnelheid +½ windsnelheid + eventuele toeslag voor turbulentie. Bij behoorlijke tegenwind en een landingssnelheid die 10 km/h hoger is, land je met een richtpunt van zo'n 30 m voor het doellandingsveld daar meestal toch midden in.