1. Naar buiten kijken 
  2. Dezelfde draairichting aannemen als de anderen in de bel 
  3. Voldoende snelheid in de bel aanhouden 
  4. Snelheid en dwarshelling constant houden 
  5. Veilig invoegen 
  6. Tegenover elkaar in de bel gaan vliegen en blijven vliegen 
  7. Je aanpassen aan andere vliegers in de bel 
  8. Niet binnendoor inhalen 
  9.  Rekening houden met weggezet worden door de wind Bij het verlaten van de bel anderen niet hinderen 
Hierboven staan de basisregels voor veilig thermiekvliegen. Natuurlijk ken je die al. Voor de zekerheid worden ze hier even herhaald. De hoofdregel van veilig thermiekvliegen is; naar buiten kijken. Degene die als eerste in de bel draait, bepaalt de draairichting. Alle anderen die daarna in de bel komen, sluiten zich bij deze draairichting aan. Soms zit je in een bel terwijl vlak naast jou op ongeveer dezelfde hoogte nog iemand in een andere bel aan het draaien is. Bij het klimmen blijkt dan vaak dat die bellen steeds dichter bij elkaar komen te liggen. Denk vooruit. Voorkom botsingsgevaar. Wijk uit, ver voordat je in een gevaarlijke situatie komt. Houd voldoende snelheid aan (minimaal 10 km/h meer dan de snelheid voor minimum dalen). Een overtrek in een bel met meerdere vliegers kan natuurlijk niet. Als je met anderen in een bel vliegt moet je, voor de veiligheid, je vliegen volledig op die anderen afstemmen.  
 
 
 
Het is beter met z'n allen niet optimaal hoogte te winnen dan de mogelijkheid te creëren dat iemand het niet kan navertellen. Ben je niet bereid om je aan te passen verlaat de bel dan. Dit geldt ook voor degene die als eerste in de bel kwam. Thermiekbellen hebben geen eigenaar. Zowel bij gewoon vliegen als bij thermiekvliegen geldt de regel dat je een flinke verticale afstand moet nemen voordat je boven of onder iemand gaat vliegen. Deze afstand moet meer dan 50 m zijn. Ga ook niet boven iemand vliegen, want wie boven vliegt ziet degene onder hem niet. Wanneer de onderste sneller stijgt dan de bovenste, krijg je een gevaarlijke situatie. Ga zó in de bel vliegen dat je de andere vliegtuigen (en de anderen jou) goed in de gaten kunt houden. Voordat je in de buurt van de wolkenbasis komt, verlaat je de bel. Dus voor je in de mistflarden zit. Het verlaten van de bel doe je door duidelijk de koers naar buiten te verleggen en eerst een stuk rechtuit te vliegen, zodat andere zweefvliegers duidelijk kunnen zien dat je de bel verlaat.
 

 
Invoegen
Wanneer je bij een andere vlieger in een bel komt voeg je zo in dat hij geen hinder van jou ondervindt en dat je tegenover hem aan de andere kant van de draaicirkel komt. Zo kun je elkaar goed in de gaten houden. Steek je hand op; als hij dat ook doet weet je dat hij je gezien heeft. Vooral bij het samen thermiekvliegen geldt de hoofdregel dat je zoveel mogelijk naar buiten moet kijken en nauwelijks op de instrumenten. De verticale bewegingen van een collega zweefvlieger tegenover je in de bel vertellen je wel waar meer of minder stijgen zit. Niet overal in de bel is het stijgen even groot. Als je alleen in de bel aan het vliegen bent, kun je zo gaan vliegen zoals jij vindt dat je het snelst stijgt. Wanneer je met anderen in de bel draait, zul je vaak met minder stijgen genoegen moeten nemen.   
Pas je draaicirkel aan en onthoud dat je niet binnendoor mag draaien, ook al vermoed je dat het stijgen daar beter is. Vliegers die zich aan de thermiekregels houden, kunnen best samen in één bel vliegen. Vind je het moeilijk je aan die regels te houden, of constateer je gevaarlijk vlieggedrag van anderen; wees dan verstandig en verlaat de bel.
 
Houd bij het vliegen je positie en je hoogtemeter in de gaten. Zoek bovenwinds naar nieuwe thermiek en houd er rekening mee in welke richting je door de wind wordt weggezet. Je mag natuurlijk niet boven de lier of in de buurt van de lierbaan thermieken. Houd ruime marges aan en verlaat eventueel de bel tijdig. 
Wettelijk mogen solisten tot maximaal 5 km van hun veld vliegen. Door de wind word je behoorlijk snel van je veld weggezet en je hebt heel wat extra hoogte nodig om over een afstand van 5 km tegen de wind in terug naar je veld te vliegen. Hoe hoog je op 5 km vanaf het veld minimaal moet zitten is o.a. afhankelijk van: 
  1. het type vliegtuig (prestatievliegtuigen verbruiken veel minder hoogte om 5 km af te leggen dan de meeste overgangstrainers) 
  2. de windrichting en sterkte (tegen de wind in is je grondsnelheid veel lager dan met de wind in de rug) 
  3. eventuele daalgebieden 
Een eenvoudige en veilige berekening voor solisten is de 'een op tien' regel. Voor elke kilometer vanaf je veld moet je 100 m hoogte boven de 200 m van het aanknopingspunt reserveren. Op een afstand van 5 km van je veld moet je dan minimaal 700 m hoogte hebben. Wanneer je terug vliegt en er staat niet veel wind dan kom je door gebieden waar je dalen hebt en gebieden waar je stijgen ondervindt. Wanneer je de daalwindgebieden met verhoogde snelheid oversteekt en de gebieden met stijgen met normale vliegsnelheid, verbruik je minder hoogte (zie VVO-2 en dan bij 2.2 en 2.3 MacCreadyring en Sollfahrtgeber).