4.14 SLEEPSTART MET ZIJWIND

Voor de start: 

  1. Trim voor neutraal.
  2. Veld vrij en checken windrichting;
  3. Voldoende afstand tot obstakels.

Tijdens het rollen: 

  1. Vleugels horizontaal houden en propwash opvangen;
  2. Op het hoofdwiel balanceren;
  3. Het weerhaaneffect opvangen;
  4. Ontkoppelen als het zweefvliegtuig uitbreekt.

Tijdens het slepen: 

  1. Na het loskomen laag blijven;
  2. Een bocht niet afsnijden.

Afbreken sleepstart:

  1. Bij rollen: sleepvliegtuig naar links, zweefvliegtuig naar rechts;
  2. Onder de 75 m een landing tegen de windrichting in.

Slepen mag op militaire velden alleen als de windsnelheid lager is dan 20 knopen. Bij dwarswind ligt de limiet veel lager, omdat het sleepvliegtuig en het zweefvliegtuig veel hinder ondervinden van zijwind. Bij slepen met zijwind moet je rekening houden met het weerhaaneffect en dat je weg- gezet wordt achter het sleepvliegtuig zodra je loskomt.

VOOR DE START
De cockpitcheck doe je met de cockpitchecklist die voor in het vliegtuig ligt. Dan berg je die op en controleer je of het zweefvliegtuig precies goed in de startrichting achter het sleepvliegtuig staat. Concentreer je op: ‘Veld vrij en windrichting’. Bij een sleepstart is dit extra belangrijk. Zijn er geen obstakels? Is er voldoende ruimte als de combinatie sleepvliegtuig en zweef- vliegtuig na het loskomen wordt weggezet door de wind? Denk voor de start altijd even aan ‘Wat Als’. Wat doe je als het sleepvliegtuig de start afbreekt (sleepvliegtuig naar links en zweefvliegtuig naar rechts). Wat als de start onder de 75 meter wordt afgebroken (landen in de windrichting).

WEERHAANEFFECT (1)
De wind oefent van opzij een kracht uit op het verticale kielvlak. Deze kracht moet door een grote richtingsroeruitslag ‘tegen’ (wind van links, dan met de voeten het richtingsroer aan de rechterkant intrappen), worden opgevangen, omdat anders het zweef-vliegtuig uit zijn koers achter het sleepvliegtuig wordt gedraaid.

‘WEGGEZET NA LOSKOMEN’ (2)
Het zweefvliegtuig komt eerst ‘los’ terwijl het sleepvliegtuig nog over de baan rolt. De dwarswind verplaatst dan het zweefvliegtuig opzij. De vlieger van het zweefvliegtuig dient dan zoveel op te sturen dat zijn positie midden boven de baan blijft. De neus van het zweefvliegtuig wijst dus in de richting van de zijwind naast het sleepvliegtuig.

Opsturen laag bij de grond moet voorzichtig gebeuren, want de tip mag de grond beslist niet raken (3). Dus opsturen met het richtingsroer en weinig helling. Wanneer ook het sleepvliegtuig vliegt en je vrij van obstakels bent, kan het zweefvliegtuig weer recht achter het sleepvliegtuig positie kiezen. De combinatie sleepvliegtuig en zweefvliegtuig stuurt dan als één geheel op (4).