4.19C THERMIEKVLIEGEN

  • Draairichting aannemen van degene die voor je in de bel zit;
  • Boven of onder iemand vliegen alleen met grote verticale afstand;
  • Recht tegenover iemand invoegen en tegenover hem blijven vliegen;
  • Niet binnendoor inhalen;
  • Rekening houden met weggezet worden door de wind.
In het begin van je vliegopleiding zegt de instructeur bij het thermiek- vliegen steeds waar je op moet letten, maar naarmate je opleiding vordert, verwacht hij dat je zelf steeds meer beslissingen neemt. Thermiekvliegen vergt een verhoogde mate van concentratie. Je moet het zweefvliegtuig goed gecentreerd in de thermiekbel houden. Je moet op de andere zweefvliegtuigen in de bel letten en je moet je veld in de gaten houden.
 
 
De techniek van goed gecentreerd thermiekvliegen is een kwestie van leren en veel ervaring opdoen. Het is een belangrijk onderdeel bij de VVO1 (voortgezette vliegopleiding-1) en het wordt je bij dat deel van de zweefvliegopleiding verder geleerd.
Hier wordt alleen de informatie gegeven die betrekking heeft op de veiligheid bij het thermiekvliegen. Het is je na een paar thermische vluchten vast al duidelijk dat een zweefvliegtuig in een goede thermiekbel als een magneet op andere zweefvliegtuigen werkt. Vaak vliegen meerdere vlieg- tuigen in dezelfde thermiekbel. Daarvoor gelden 4 belangrijke afspraken:
 
 
1. DEZELFDE DRAAIRICHTING
 
Degene die als eerste in de bel draait, bepaalt de draairichting. Alle anderen die daarna in de bel komen, nemen deze draairichting over. Soms zit je
in een bel terwijl vlak naast jou op ongeveer dezelfde hoogte nog iemand in een andere bel aan het draaien is. Bij het klimmen blijkt dan vaak dat die bellen steeds dichter bij elkaar komen te liggen. 
  1. Denk altijd vooruit.
  2. Vermijd botsingsgevaar.
  3. Wijk uit ver voordat je in een gevaarlijke situatie komt. 
 
 
 
2. INVOEGEN
 
Als je bij een andere vlieger in een bel komt, voeg je zo in dat hij geen hinder van jou ondervindt en dat je recht tegenover hem, aan de andere kant van de draaicirkel komt. Zo kun je elkaar goed zien. Steek je hand op; als hij dat ook doet weet je dat hij je gezien heeft. Vooral bij thermiekvliegen geldt de gouden regel: kijk zoveel mogelijk naar buiten!
 
3. BOVEN OF ONDER EEN ANDER VLIEGEN
 
Zowel bij gewoon vliegen als bij thermiekvliegen geldt de regel dat je een flinke verticale afstand moet nemen voor je boven of onder iemand gaat vliegen. Dat moet meer dan 50 m zijn, want wie boven vliegt ziet degene onder hem niet. Als de onderste sneller stijgt dan de bovenste, krijg je een gevaarlijke situatie. Ga zó in de bel vliegen dat je de andere vliegtuigen goed in de gaten kunt houden. In de buurt van de wolkenbasis wordt het zicht snel slechter. Verlaat de bel voordat je in de mistflarden komt. Dat doe je door duidelijk de koers naar buiten te verleggen en eerst een stuk rechtdoor te vliegen, zodat andere vliegers duidelijk zien dat je weggaat.
 
4. NIET BINNENDOOR DRAAIEN
 
Niet overal in de bel is het stijgen even groot. Als je alleen in de bel aan het vliegen bent, kun je met jouw vliegtuig zo gaan vliegen zoals jij denkt dat je het snelst stijgt. Wanneer je met anderen in de bel draait, heb je die vrijheid niet. Pas je draaicirkel aan en onthoud dat je nooit binnendoor mag draaien ook al vermoed je dat het stijgen daar beter is. Vliegers die voldoende ervaring hebben en zich aan de thermiekregels houden kunnen best met een aantal zweefvliegtuigen in één bel vliegen. Heb je die ervaring nog niet, of constateer je dat niet iedereen in de bel voldoende afstand houdt, wees dan verstandig en verlaat de bel.
 
WEGGEZET WORDEN DOOR DE WIND
 
Houd bij het vliegen je positie en je hoogtemeter in de gaten. Zoek boven- winds naar thermiek en let op in welke richting de wind je wegzet. Je mag natuurlijk niet boven de lier of in de buurt van de lierbaan thermieken. Houd ruime marges aan en verlaat eventueel de bel tijdig. Wettelijk gezien mogen solisten maximaal 5 km van hun veld vandaan vliegen. Door wind kun je snel van je veld weggezet worden en dan heb je heel wat extra hoogte nodig om over een afstand van 5 km tegen de wind in terug naar je veld te vliegen. Hoe hoog je op 5 km vanaf het veld minimaal moet zitten is o.a. afhankelijk van: 
  1. het type vliegtuig (prestatievliegtuigen verbruiken veel minder hoogte om 5 km af te leggen dan overgangstrainers);
  2. de windrichting en -sterkte (tegen de wind in is je grondsnelheid veel lager dan met de wind in de rug);
  3. eventuele daalgebieden;
  4. de ervaring van de vlieger.
 
 
 
Draaien bij harde wind:  In de lucht draai je A, maar t.o.v. de grond B. 
In 1 lijk je te snel te vliegen, 
in 2 weggezet te worden,  
in 3 langzaam te vliegen en 
in 4 weer weggezet te worden.
 
Op lage hoogte is dat even wennen... 

TERUGVLIEGEN NAAR JE VELD 
 
Als je terug vliegt en er staat niet veel wind, kom je door gebieden waar je dalen hebt en gebieden waar je stijgen ondervindt. Wanneer je de daal- windgebieden met verhoogde snelheid oversteekt, en de gebieden met stijgen met normale vliegsnelheid, verbruik je minder hoogte. Om zo hoog mogelijk bij de volgende thermiekbel aan te komen vlieg je met behulp van de MacCreadyring.
 
 
Op deze verdraaibare ring die om de variometer zit, zie je een driehoekje. Dat moet voor dit doel in het midden (op 0 m/s) staan. Voor elk daalgebied en stijgwindgebied wijst de naald van de variometer de beste vliegsnelheid aan. Deze snelheden volg je globaal. Als de variometer bijvoorbeeld 120 km/h aangeeft moet je niet 90 km/h gaan vliegen. Wanneer je tegen krachtige wind in zo hoog mogelijk bij je veld of bij het aanknopingspunt wilt aankomen, dan verdraai je de ring zo, dat het driehoekje op plus 0,5 m/s komt te staan. Je vliegt nu met iets meer snelheid tegen de wind in en komt hoger aan bij het veld.