1. Een uitslag van het hoogteroer veroorzaakt een draaiing om de dwarsas, dit noemen we stampen. 
  2. Een uitslag van de rolroeren veroorzaakt een draaiing om de langsas, dit noemen we rollen. 
  3. Een uitslag van het richtingsroer veroorzaakt een draaiing om de topas, dit noemen we gieren.
Een zweefvliegtuig heeft 3 stuurvlakken (roeren). Het stabilo met daaraan het hoogteroer, de vleugels met de rolroeren en het kielvlak met daaraan het richtingsroer. Hiermee kan het zweefvliegtuig om zijn drie assen worden bestuurd. We gaan deze drie bewegingen één voor één bespreken en in de lucht één voor één uitvoeren.
 
  
HET HOOGTEROER, STAMPEN
 
Als je de stuurknuppel naar voren doet, gaat de neus van het vliegtuig naar beneden. De snelheid loopt op. Als je de stuurknuppel naar je toe verplaatst gaat de neus omhoog en de snelheid loopt terug. Deze op en neer gaande beweging die je met het hoogteroer veroorzaakt heet stampen. De staart omhoog en de neus omlaag is een beweging om de dwarsas. De dwarsas is een denkbeeldige lijn die ongeveer van vleugeltip tot vleugeltip loopt (of om het volgens de definitie te zeggen: de as loodrecht op het symmetrie- vlak door het zwaartepunt).
 
 
DE ROLROEREN, ROLLEN 

Met de stuurknuppel beweeg je de rolroeren. Als je de stuurknuppel naar rechts doet, slaat het linkerrolroer naar beneden en het rechter naar boven uit. Dan gaat de linkervleugel omhoog en de rechtervleugel omlaag. Het zweefvliegtuig gaat rollen om zijn langsas. Dit is een denkbeeldige lijn door de romp van het vliegtuig, dus van de neus door het zwaartepunt naar de staart.
 
 
HET RICHTINGSROER, GIEREN
 
Met het voetenstuur bedien je het richtingsroer.Wanneer je rechts intrapt, slaat het richtingsroer uit naar rechts. Het kielvlak wordt naar links geduwd en daar- door gaat de neus naar rechts. Dat is een beweging om de topas, de denkbeeldige verticale as door het zwaartepunt van het vliegtuig.
 
DEMONSTRATIE IN DE LUCHT
 
We vliegen gewoon rechtuit. Dan doen we de stuurknuppel duidelijk naar voren en even later weer terug. Dit is stampen en dat doen we met het hoogteroer. Hierna vliegen we weer rechtuit en doen de stuurknuppel naar rechts. Kijk naar de linker vleugel, die gaat omhoog. Dit rollen doet het rolroer. Ten slotte vliegen we weer rechtuit en geven een flinke uitslag met het richtingsroer. Je ziet nu de neus gieren (naar links of rechts gaan).
 
STUURKNUPPEL LOSJES VASTHOUDEN
 
In het begin heb je de neiging om hard in de stuurknuppel te knijpen. Leer je zelf aan om de stuurknuppel losjes beet te pakken (tussen duim en wijsvinger). Dan vlieg je meer ontspannen. Tijdens het rollen over de grond in de start en bij het uitrollen na de landing is het verstandig om de knuppel wat steviger vast te houden, omdat het terrein meestal wat hobbelig is.
 
HET ZWEEFVLIEGTUIG VLIEGT ZICHZELF
 
Een zweefvliegtuig is zo gemaakt dat het zichzelf vliegt. Wanneer je vliegt en alles loslaat, blijft het toestel gewoon doorvliegen en doet geen gekke dingen. Wordt het vliegtuig door een kleine atmosferische verstoring uit deze evenwichtssituatie gehaald, dan herstelt het doorgaans de oorspron- kelijke situatie zonder ingrijpen van de vlieger. De stuurknuppel gebruik je alleen om zo nu en dan bij een grote verstoring het evenwicht te herstellen of het toestel die kant op te sturen, waar je naar toe wilt.
 
COCKPITCHECK!
 
Voor elke vlucht doe je zelf de cockpitcheck. Dat is een belangrijke veilig- heidsmaatregel om te controleren of er niets vergeten is dat voor een veilige vlucht noodzakelijk is. De cockpitcheck doe je met de checklist die in het vliegtuig aanwezig is en hardop, ook later als je solo vliegt. Je leest niet alleen de vraag hardop, maar beantwoordt hem ook. Dat gaat als volgt:
 
Lees de cockpitcheckvraag:
Onderneem de volgende actie: 
‘Kap gesloten en vergrendeld?’ Kap voor en achter sluiten en vergrendelen en kijken en voelen of dat het geval is (ook achter).
‘Instrumenten gecontroleerd?’ Kijken of de instrumenten op nul staan en er geen scheuren in het glas zitten.
‘Stuurorganen vrije uitslagen?’ Tellen tot zes. Zes bewegingen: 1 tot 4: volledige uitslagen met de stuurknuppel en 5 en 6: volledige uitslagen met het richtingsroer. Doe de stuurknuppel ook één keer rond om te proberen of hij in alle uiterste hoeken komt. Bij dit alles moet je voelen, kijken en luisteren of de uitslagen volledig, normaal en soepel verlopen.
‘Trim voorgeschreven stand?’ Voelen of de trim gemakkelijk heen en weer gaat en vervolgens de trim verschuiven tot die stand welke nodig is voor de normale vliegsnelheid.
‘Onkoppelhaak gecontroleerd?’ De ontkoppelhaak openen (met de gele knop) en voelen/horen of dat soepel loopt.
‘Kleppen dicht en gelocked?’ Kijken of beide remkleppen helemaal openen en horen of ze duidelijk in de lock* klikken, als je ze dicht doet.
Startplaats vrij?’ ‘Tenslotte kijk je of het zweefvliegtuig in de startrichting staat, het startveld vrij is en hoe de windrichting is. Je bergt de cockpitcheckkaart op en kan er gestart worden.
 
*) De lock zorgt ervoor dat de kleppen gesloten blijven en niet uit zichzelf opengaan als jij dat niet wilt.
 
 
KLEUREN VAN DE HENDELS EN KNOPPEN
 
In niet alle vliegtuigtypen zitten de knoppen en hendels altijd op dezelfde plaats. Dat is wennen, maar ze moeten altijd de volgende kleuren hebben:
 
 Hendel / knop kleur  bedieningsrichting
1 ontkoppelingsknop geel trekken voor ontkoppelen
2 remklephendel blauw trekken voor remkleppen uit
3 trim groen

naar achteren: neus gaat omhoog

naar voren: neus gaat naar beneden

4 kap vergrendelen wit* zoals aangegeven op de sticker die er bij zit
5 kap afwerpen rood zoals aangegeven op de sticker die er bij zit
6 flaps zwart** flaps positief hendel naar achteren
7 wielhendel zwart**
  voor intrekken en uitduwen van het wiel
 
*) Als deze hendel tegelijk gebruikt wordt voor het afwerpen van de kap, dan is de kleur wit/rood of helemaal rood.
**) Deze hendels zijn meestal zwart maar mogen in ieder geval niet blauw, groen, wit of rood zijn. Deze zijn niet afgebeeld in het voorbeeld.

De bedieningsrichting staat ook in de vorm van symbolen en figuren op stickers aangegeven.