4.20 ONGEWONE VLIEGSTANDEN, TOLVLUCHT EN SPIRAALDUIK
 
Het doel van deze oefeningen is:
  1. Door te oefenen een paniekreactie voorkomen;
  2. Symptomen van deze vliegtoestanden goed leren herkennen;
  3. Direct herstellen met minimaal hoogteverlies.
Tolvlucht:
  1. Eerst vol voeten tegen;
  2. Vervolgens de stuurknuppel rechtstandig naar voren tot neutraalstand;
  3. Zodra het draaien stopt, voeten neutraal en voorzichtig uit de duikvlucht optrekken.
Spiraalduik:
  1. Rechtrollen en de snelheid er (voorzichtig) uittrekken;
  2. Bij te hoog oplopende snelheid in de duikvlucht de remkleppen openen (al bij 90% van de maximum toegelaten snelheid).
 
TOLVLUCHT
 
Een tolvlucht (ook wel vrille genoemd) is een overtrokken vliegtoestand, waarbij het zweefvliegtuig over één vleugel wegvalt. Je gaat vrij abrupt over in een verticale schroefvormige baan, waarbij het vliegtuig om z’n as draaiend als een kurkentrekker naar beneden gaat. Een tolvlucht veroor- zaakt veel hoogteverlies. De eerste keer dat je zo’n tolvlucht meemaakt voelt dat niet prettig aan. Maar na een aantal keren weet je precies wat er gebeurt en maakt paniek plaats voor bewust handelen.
 
 
Een tolvlucht kan ontstaan wanneer bij te langzaam vliegen, tegen de overtreksnelheid aan, met te veel voetenstuur een plotselinge gier-(draai)beweging wordt gemaakt (bijv. een te lage bocht voor final met weinig snelheid en, uit angst voor de grond, te weinig helling). De binnenvleugel is tijdens de tolvlucht over- trokken, maar het richtingsroer is nog volledig werkzaam. De meeste zweefvliegtuigen zijn moeilijk in een tolvlucht te krijgen en herstellen al zodra de roeren in de neutraalstand worden gebracht.
 
VEILIGHEIDSPROCEDURE
 
Eerst doen we de veiligheidsprocedure, binnen en buiten het zweefvliegtuig.
  1. Binnen: geen losse voorwerpen, riemen goed vast, kleppen gelocked en de trim op normale snelheid.
  2. Buiten: linker- en rechterbocht maken om te zien of er geen andere vliegtuigen onder je zijn, zorgen dat je voldoende hoogte hebt, een
  3. oriëntatiepunt nemen en niet boven publiek of bebouwde kom.
 
IN EEN TOLVLUCHT BRENGEN
 
Om te wennen aan het wegvallen van het vliegtuig, maken we eerst een paar steile ‘overtrekken’ (met hoge neusstand). De tolvlucht beoefenen we alleen bij voldoende hoogte. Eén volledige draai kost circa 80 m hoogte. Op zo’n 300 m hoogte moet het zweefvliegtuig uit de tolvlucht zijn.
 
 
Om een zweefvliegtuig in een tolvlucht te krijgen:
  1. Ga je steeds langzamer vliegen;
  2. Vlak voor de overtrek zet je met vol voeten een bocht in, terwijl je de vleugel met het rolroer horizontaal probeert te houden (een schuivende bocht). Het draadje wijst nu naar de binnenste (achterste) vleugel.
  3. Zodra deze binnenste vleugel wegzakt, doe je het rolroer volledig ‘tegen’ (proberen om de wegzakkende vleugel weer horizontaal te trekken). Het nu volledig naar beneden geslagen rolroer veroorzaakt een overtrek (losgelaten stroming) die zich vanaf de tip uitbreidt richting de romp.
  4. De vleugel valt weg en de weerstand van deze vleugel neemt toe, waardoor de draaiing begint. 
  5. De neus wijst steil naar beneden en de grond lijkt onder de neus te draaien. Je krijgt het gevoel ongeremd draaiend omlaag te vallen. Bij oldoende hoogte is deze situatie ongevaarlijk en goed te beëindigen.
 
UIT EEN TOLVLUCHT HALEN
 
Om een tolvlucht te beëindigen gebruik je het richtingsroer. Je bent geneigd om met de ‘stuurknuppel tegen’ de lage vleugel weer horizontaal te krijgen, maar dit werkt averechts, omdat de luchtstroming over een groot gedeelte van deze vleugel losgelaten is en een naar beneden uitgeslagen rolroer nog meer invalshoekvergrotend werkt.

Een tolvlucht beëindig je als volgt:
      6 Richtingsroer tegen de draairichting in volledig intrappen;
      7 het hoogteroer in de neutraalstand houden;
      8 het rolroer neutraal houden;
      9 zodra het draaien stopt het richtingsroer neutraal zetten en langzaam uit de duikvlucht optrekken.
 
N.B. Dit is de standaardmethode om een tolvlucht te beëindigen. De tolvlucht- eigenschappen van sommige zweefvliegtuigen en de manier waarop je de tol- vlucht inzet en beëindigt, kunnen verschillen. Lees, voor je de oefening tolvlucht in een voor jou onbekend zweefvliegtuig doet, altijd eerst wat daarover in het vlieghandboek van het vliegtuig staat.
 
SPIRAALDUIK
 
Dit is een niet-overtrokken vliegtoestand. De snelheid is veel hoger dan bij de tolvlucht. Een spiraalduik kan ontstaan als bij het inzetten van een bocht niet of te laat aan de stuurknuppel trekt om de neus op de horizon te houden. De snelheid loopt dan op. Als je steil draait en de snelheid vermindert niet meer door aan de stuurknuppel te trekken, zit je in een spiraalduik. Normaal trek je met de stuurknuppel de neus weer op de horizon, waardoor de snelheid afneemt, maar in dit geval heeft dat slechts tot gevolg dat de straal van de cirkel kleiner wordt, de snelheid oploopt en de G-krachten toenemen.
 
 
HERSTEL SPIRAALDUIK
 
Horizontaal rollen en de snelheid er (voorzichtig) uittrekken.Om te vermijden dat de snelheid te hoog oploopt, ruimschoots voor het bereiken van de maximum snelheid de remkleppen openen.
 
Nogmaals: door zowel de overtrek, tolvlucht als spiraalduik regelmatig te oefenen, voorkom je dat het je onverwachts overkomt. Omdat je de eerste symptomen goed leert herkennen, ben je in staat om vrijwel instinctief dergelijke ongewone vliegstanden te beëindigen.