Aandachtspunten:
 
  1. De plaats van de horizon bij verschillende snelheden; 
  2. Het geluid bij verschillende snelheden; 
  3. De stand van de vleugels boven de horizon bij rechtuit vliegen. 
 
SNELHEID
 
Een zweefvliegtuig heeft meestal geen motor. Bij een motorzweefvliegtuig trekt de propeller het vliegtuig naar voren. Hieronder zie je bovenaan een tweezitter met een inklapbare motor en onderaan een gewone tweezitter.
 
 
 
L    = lift
R   = totale luchtkracht
P   = trekkracht propeller
W  = weerstand
G   = gewicht
G1 = gewichtscomponent loodrecht op de vliegbaan
G2 = gewichtscomponent in de vliegrichting
 
Als de motorzwever horizontaal en met constante snelheid vliegt, dan zijn de lift (L) en het gewicht (G) van het vliegtuig gelijk en tegengesteld. Voor handhaving van de snelheid moet de trekkracht (P) van de propeller gelijk zijn aan de weerstand (W) van het vliegtuig.
 
Op de onderste tekening zie je een gewone tweezitter die naar beneden glijdt. Je kunt een zweef- vliegtuig vergelijken met een auto zonder motor. Een auto zonder motor kan alleen maar rijden als hij een helling af rijdt. Ook een zweefvliegtuig kan alleen maar vliegen en snelheid behouden door naar beneden te glijden. Hoe steiler we naar beneden gaan, hoe hoger de snelheid wordt. Bij een zweefvliegtuig zonder voortstuwing zijn de totale luchtkracht R en het gewicht van het vliegtuig G gelijk en tegengesteld. De totale luchtkracht
R bestaat uit de lift L (die staat loodrecht op de stroming) en W de weer- stand (in de richting van de stroming). De kracht G kan worden ontbonden in G1 die gelijk is aan L en G2 die gelijk is aan W. Kracht G2 vervangt dus de trekkracht van de propeller.
 
HORIZON
 
De vliegsnelheid lezen we af op de snelheidsmeter. Ook kunnen we de snelheid ruw schatten uit de hoogte van de horizon in de kap. Bij normale vliegsnelheid staat de horizon ergens in het midden in de kap. Bij hoge snelheid hoog in de kap en bij lage snelheid laag in de kap.
 

In deze les ga je oefenen hoeveel de snelheid verandert als je de plaats van de horizon in de kap wijzigt. Het is belangrijk om de plaats van de horizon als aanwijzing voor de snelheid te onthouden, omdat zweefvliegers voor de veiligheid veel naar buiten moeten kijken en slechts ter controle af en toe even vlug een blik op de instrumenten werpen.

De stand van de horizon in de kap geeft informatie over de stand en de bewegingen van het toestel. Zo dient de horizon dus als indicatie voor het handhaven van de snelheid en om te zien of je de vleugels wel horizontaal houdt. In het begin is het moeilijk om de vleugels horizontaal te houden. Naarmate je langer vliegt krijg je daar meer gevoel voor.

Als je recht in het zweefvliegtuig zit en je ziet de horizon als een horizontale lijn in de kap, dan houd je de vleugels horizontaal. Kijk ook eens links en rechts of beide vleugeltippen even hoog boven de horizon uitsteken.
  
WAT IS TRIMMEN?
 
Met trimmen bedoelen we dat we de trimhendel zó zetten, dat, wanneer we het vliegtuig met een bepaalde snelheid laten vliegen, dan de druk van de stuurknuppel opgeheven wordt. M.a.w. als we de stuurknuppel los laten, blijft ons vliegtuig ongeveer met die ingestelde snelheid vliegen. Dit bevordert het ontspannen vliegen.
 
HOE WERKT EEN TRIM?
 
Bij zweefvliegtuigen kom je twee verschillende trimmethoden tegen. Bij een deel van de zweefvliegtuigen verstel je met de trimhendel een trimvlakje aan het hoogteroer. Hierdoor wordt een verticale kracht omhoog of omlaag op het hoogteroer uitgeoefend.
Bij andere zweefvliegtuigen is de trimhendel verbonden met een veer die een kracht op de stuurknuppel uitoefent. Verstel je de trim dan verandert de spanning van de veer op de stuurknuppel naar voren of naar achteren.
 
VOORBEELD
 
Elke vlieger heeft z’n eigen gewicht. Het maakt verschil of iemand van 100 kg voor in een vliegtuig zit of iemand van 70 kg. De eerste moet de stuurknuppel meer naar zich toe trekken om de neus op de horizon te
houden. Constant trekken aan de stuurknuppel is vermoeiend. De trim maakt dat constant trekken overbodig