1. Opsturen tegen de wind in.
VLIEGEN IN EEN BLOK LUCHT
 
Om te begrijpen welke invloed de wind op een zweefvliegtuig heeft, kun je het vliegen van een vliegtuig voorstellen als het vliegen in een blok lucht. Het zweefvliegtuig vliegt in een groot blok lucht en merkt als het boven in de lucht is niets van de wind. In dat blok lucht vliegt het toestel met zijn normale vliegsnelheid en het heeft zijn eigen licht dalende baan die bij die snelheid hoort.
 
WINDSTIL WEER EN GEEN THERMIEK 

Bij windstil weer en geen thermiek blijft dit blok lucht op dezelfde plaats op de aarde liggen. De vliegsnelheid is in alle richtingen ook de grondsnelheid.
 
 
 
WAT GEBEURT ER ALS HET WAAIT?
 
Waait het, dan verplaatst dit hele blok lucht zich over de aarde. De vlieger merkt dit (hoog in de lucht) alleen door naar de grond te kijken. Vlieg je tegen de wind in, met dezelfde vliegsnelheid, dan kom je maar langzaam vooruit. Vlieg je met de wind mee dan gaat de grond sneller onder je door en lijkt jouw vliegsnelheid hoger. Vlieg je dwars op de wind dan drijf je ten opzichte van de grond zijwaarts weg. Stel dat je evenwijdig aan een weg vliegt die dwars op de windrichting ligt. Je wordt dan, doordat het blok lucht waarin je vliegt door de wind verplaatst wordt, duidelijk waar- neembaar opzij weggezet.
 
VLIEGEN IN DE THERMIEK
 
Ook bij het vliegen in de thermiek kun je het beeld van het vliegen in een blok lucht gebruiken. Bij thermiek vlieg je in een blok lucht dat zich om- hoog verplaatst. Jij vliegt er met je eigen daalsnelheid. Je daalt in het blok lucht, maar doordat het hele blok sneller stijgt dan jij t.o.v. het blok daalt, geeft jouw variometer stijgen aan. Bij het vliegen in een daalwind gebied gebeurt het omgekeerde. Je daalt met de normale daalsnelheid van het vliegtuig plus de daalsnelheid van het blok lucht. Je variometer geeft extra dalen aan. Zo’n blok lucht kun je het beste maar snel verlaten.
 
NIET OPSTUREN
 
Je gaat proberen om evenwijdig aan een weg of een sloot die ongeveer haaks op de windrichting ligt te vliegen. Wanneer je keurig recht van A naar B denkt te vliegen met de wind dwars op de vliegrichting en je stuurt niet op, dan wordt het zweefvliegtuig door de wind weggezet. Dit merk je duidelijk. Het lukt niet om de weg rechtuitvliegend te blijven volgen. De afstand tot de weg of sloot wordt steeds groter.
  
WEL OPSTUREN
 
Om toch de grondkoers te blijven volgen en niet door de wind te worden weggezet, verleg je de koers in de richting van de wind. Je zet een bocht in totdat je ziet dat je grondkoers correct is. Je maakt dan een hoek t.o.v. de grondkoers. Je vergelijkt met de grond onder je of je voldoende opgestuurd hebt. Nu blijf je keurig evenwijdig aan de weg of sloot vliegen