4.7 NORMALE BOCHTEN
 
Een zweefvlieger moet goede bochten kunnen vliegen met gelijkblijvende helling en snelheid. Bij het maken van normale bochten let je op: 
  1. Goed uitkijken, vooral in de richting van de bocht;
  2. De juiste coördinatie van stuurknuppel en voetenstuur bij het in- en uitgaan van de bocht;
  3. De horizon: voor het constant houden van de helling, de vliegsnelheid en de draaisnelheid.
 
EERST KIJKEN EN PAS DAARNA DE BOCHT INZETTEN
 
Goed uitkijken naar alle zijden en weten waar andere zweefvliegtuigen zitten, is heel belangrijk. Maak er een gewoonte van om geregeld van de ene naar de andere kant om je heen te kijken. Noem de zweefvliegtuigen die je ziet, dan weet de instructeur dat je ze gezien hebt. Voor het maken van een bocht naar links scan je eerst het luchtruim op de hoogte van de horizon van rechts naar links en als het luchtruim vrij is zet je de bocht in. Eerst kijken en pas daarna de bocht inzetten. Tijdens het maken van de bocht kijk je om de vijf seconden weer in de richting van de bocht. Je vliegt na vijf seconden namelijk een stuk luchtruim in dat je nog niet eerder kon zien.
 
 

Bij rechtuitvliegen zie je de horizon als een horizontale lijn in de kap. Bij het maken van een bocht zie je de horizon als een schuine streep in de kap. Als je deze lijn even schuin en op dezelfde hoogte in de kap houdt, dan houd je de helling, de vliegsnelheid en de draaisnelheid constant.
 
HET INZETTEN VAN EEN BOCHT
 
Onder normale bochten verstaan we bochten met zo’n 30° helling. Je maakt een bocht vooral met de stuurknuppel. Het voetenstuur is slechts ter correctie van het eerder genoemde haakeffect. Een bocht naar links maak je door de stuurknuppel naar links te doen en tegelijk voetenstuur naar links te geven om het haakeffect op te heffen en niet te slippen. Je rolt door tot ongeveer 30° en neemt dan de stuurknuppel terug en zelfs iets naar rechts om doorrollen te voorkomen (de buitenvleugel heeft in een bocht meer snelheid dus meer lift en heeft daarom de neiging om het zweefvliegtuig door te laten rollen). Ook neem je ‘iets voeten terug’ (iets minder voetenstuur), omdat het haakeffect nu niet meer aanwezig is. Je houdt er wel iets voeten in om de draaiïng erin te houden.
 
HET HANDHAVEN VAN DE BOCHT
 
Je probeert nu te vliegen met gelijkblijvende helling. Om dit te bereiken controleer je geregeld even of de horizon op dezelfde plaats, in dezelfde scheve stand, in de kap blijft. Blijf ondertussen geregeld om je heen kijken naar eventuele andere vliegtuigen en werp alleen af en toe een korte blik op de instrumenten.
 
HET HANDHAVEN VAN DE SNELHEID
 
Door het vliegen van een bocht verandert de richting van de lift. Bij rechtuit vliegen staat de lift (L) recht tegenover het gewicht (G) van het vliegtuig.
De pijlen L en G zijn even groot en dit geeft aan dat de lift gelijk is aan het gewicht. Bij het vliegen van een bocht staat de lift weer loodrecht op de vleugel, maar door de helling niet meer recht tegenover het gewicht. De lift is ontbonden in een horizontale en een verticale component (L2 en L1). Bij het vliegen van de bocht heeft het toestel de neiging de neus te laten zakken, waardoor de snelheid oploopt. Om dit te voorkomen trek je iets aan de stuurknuppel. Je vergroot hiermee de invalshoek van de vleugels, waardoor je de lift vermeerdert. Deze situatie zie je op de rechtertekening.
 
 
Pijl L is nu groter dan pijl G. Door iets aan de stuurknuppel te trekken houd je de neus van het zweefvliegtuig op de horizon en blijft de snelheid constant.
 
HET BEËINDIGEN VAN DE BOCHT
 
Ook bij het beëindigen van de bocht kijk je eerst of het luchtruim vrij is in de richting waarin jij nu wilt gaan vliegen. Je rolt uit een linkerbocht terug door stuurknuppel en voetenstuur (ook nu weer haakeffect) naar rechts te bewegen tot de vleugels weer in de horizontale stand zijn gekomen. Wanneer je het zweefvliegtuig weer horizontaal hebt, moet je de stuur- knuppel weer iets naar voren doen om de juiste snelheid te handhaven.