Het geheim van de Sallandlier 

Salland, zaterdag 24 april 2004, ’s morgens om tien uur. Terwijl Wubbo Ockels nog vanuit de ruimte onderweg is, of in een file voor Zwolle staat, opent de voorzitter van Salland de bijeenkomst voor de officiële ingebruikname van de nieuwe Sallandlier. Al wekenlang gonst het op het forum en in zweefvliegend Nederland van de geruchten over dit zelfontworpen lierwonder. Wat is een hydrostartlier? Hoe ziet hij er uit? Zijn er al foto’s? Zijn de kabels echt zo licht dat je ze op de fiets kunt uitrijden? Komt er ook een filmpje op het net? 

 Als kersvers ABZ-lid ben ik uitgenodigd om de ‘druk op de knop’ door Wubbo Ockels bij te wonen. Tijdens de opening schetst de voorzitter de historie van Aero Club Salland. Opgericht in 1971 en op dit moment zijn er meer dan 150 vliegende leden. Het veld in eigendom en een vloot om jaloers op te worden. Geen luchtruimte-beperkingen, enzovoort enzovoort. Daarna begint hij over de bouw van de nieuwe lier. Z’n gezicht begint steeds meer te stralen. In lyrische woorden weet hij trots een deel van het geheim van zijn club onder woorden te brengen. Er zijn heel veel Sallanders en die hebben iets met deze club en voor die club steken ze graag de handen uit de mouwen. 

Na deze opening volgt de static show van Aero Club Salland. Inderdaad een vloot om van te watertanden. Aangezien een Duo Discus buiten mijn financiële horizon valt, gaat mijn bijzondere belangstelling uit naar het vernieuwde interieur van de Salland-pegase.  De originele geel en bruine kleuren van de cockpit zijn keurig grijs en zwart geverfd. Het ziet er netjes uit.  ‘Ja we hebben het poepkleurtje vervangen’, zegt een enthousiast clublid. Aangezien ik zelf een Pegase met zo’n poepkleurtje heb, zoek ik ander gezelschap. De technicus van Salland toont me de net aangeschafte Discus B. Aan het PH-nummer te zien uit 1985 maar met een nieuwe laklaag uit Polen, ziet hij er als nieuw uit. Dan hoor ik: “Moest jij niet met het bobo-busje mee’?  Ik krijg liever een paar natte voeten en loop door het lange gras naar de nieuwe lier. 

Ondertussen weet ik al weer meer over het geheim van de Sallandlier. De lier heeft evenveel gekost als een Munster-van-Gelder-zestrommellier, maar deze lier kan meer en hij is uniek. Zelf ontworpen en zelf gebouwd door een groep van zo’n vijftien Sallanders. Vier van hen vormden de harde kern. Mannen, die volgens Bep en Fred van het luchtkasteel, geregeld nachtwerk verricht hebben. ‘Dan gingen wij ’s avonds naar onze caravan en dan waren ze nog bezig’.

Deze lier heeft een groot aantal voordelen op andere lieren. Elke kist wordt met optimale trekkracht opgelierd met een kunststofkabel. De kracht waarmee de vliegtuigen omhoog worden getrokken wordt door de computer nauwkeurig geregeld. De kracht overschrijdt nooit meer dan 85% van de waarde van het breukstukje. Het enige dat de lierman/vrouw moet doen, is het juiste type breukstuk indrukken en dan regelt de computer de hele lierstart. Door het gebruik van de hydro-kracht en de kunststofkabel die veel lichter is dan een gewone stalen lierkabel, wordt zo’n 25 tot 30% hogere lierstart verkregen. Aangezien een zweefvlieger altijd op 200 m aan het circuit begint, betekent dit in de praktijk, dat je twee keer zoveel tijd hebt om thermiek op te pakken. De voorzitter van Salland zei het nog pakkender: ‘Als er thermiek is, dan geven wij met deze lier de garantie dat je het pakt’. 

Wanneer ik bij de lier aankom, zie ik inderdaad een hele originele lier. Speciaal gemaakt voor de situatie op Salland. Drie kabels aan de ene kant en drie aan de andere kant van de cabine. Het was de bedoeling dat de cabine precies boven het geasfalteerde lierpad zou komen te staan met drie kabels links en drie rechts van het asfaltweggetje, maar aangezien de kabels heel erg sterk in de trekrichting zijn maar minder sterk in de dwarsrichting, mogen er geen auto’s over de kabels rijden. Daarom zijn alle kabels aan de noordzijde van het pad uitgereden.  Andere voor mij opvallende eigenschappen zijn dat de kabels van onderen af ingelierd worden i.p.v. van bovenaf zoals bij andere lieren. Verder zie ik hele grote smalle rollen waar de kunstkabel opgerold wordt. Dit oprollen gebeurt zonder dat de kabel daarbij geleid wordt zoals bij andere lieren. 

Bij de lier ontmoet ik een paar van de bouwers. Ze zijn terecht super trots op dit schitterende stuk techniek waar de Aero Club Salland octrooi op aangevraagd heeft. Eén van de bouwers vertelt me dat de cabine in zijn garage gebouwd is en dat er eerst een muur verwijderd moest worden om de cabine eruit te halen. Salland heeft met de ontwikkeling van deze nieuwe liertechniek baanbrekend werk verricht. Ik hoor dat er zelfs clubleden zijn die eerst tegen dit gedurfde project waren en dat die nu openlijk toegeven dat ze dat achteraf gezien een foute keuze vinden. De lier beschikt over een bijzondere kapinstallatie die negen kunststofkabels in één keer kan kappen. Bij een proef met een gewone kapinstallatie bleek dat de kapinstallatie de kabel niet kapot kreeg en dat daarna bij een trekproef bleek dat de kabel nog 80% van z’n trekkracht over had. Vol bewondering kijk ik naar de kunststofkabel. Een splits ziet er als een netjes in elkaar gevlochten kabel uit. ‘Deze splits hebben we één op één over genomen uit een boekje van de scouting’. M’n vertrouwen in de hydrostartlier  stijgt nog meer als ik de heer Lankhorst ontmoet van de firma die de  Dyneema-kabel geleverd heeft. De firma Lankhorst komt uit Friesland en ik weet dat ze je daar tot in de hoogste kringen goed aan het lijntje kunnen houden. 

Dan zie ik dat iedereen naar boven staat te kijken. Een parachutist zal Wubbo Ockels de sleutel overhandigen. Maar dan is er nog een parachutist zichtbaar. ‘Dat is voor de reserve sleutel’, zegt een Sallander. Uiteindelijk landen er, onder applaus, drie para’s. Dan kan het aftellen voor de lancering beginnen. De sleutel gaat in de lier, Wubbo Ockels drukt op de knop en de indrukwekkende dieselmotor start. Een jaar of tien geleden is  Wubbo Ockels  een keer met de ASW-19 van de universiteit van Delft op Leeuwarden geland. Bij wijze van experiment zou hij aan een kilometers lange kunststofkabel achter een motorkist tot boven de tien kilometer gelierd worden. Helaas begon de kabel, die niet in Friesland gemaakt was, als een elastiek te rekken en de proef mislukte. Wubbo Ockels landde bij de Friese Aero Club op de vliegbasis Leeuwarden. 

Op de startplaats geeft Sape Miedema een schitterende demo kunstvliegen. Hij heeft, om deze speciale dag een koninklijk tintje te geven, oranje rookpotten op z’n MDM1 Fox  geplaatst. Na zijn landing worden de eerste starts met de hydrolier gemaakt.  BNN-beroemdheid Oedske vraagt: ‘Wil je ook een vluchtje maken’? Ik tref het en mag met Maarten Timmer in z’n Janus mee omhoog. Het is vandaag bijzonder goed thermisch weer. Maarten heeft deze week, als KLM-piloot, net z’n derde vlucht op de ‘tripple seven’ gemaakt. Vandaag vliegt hij steeds met één passagier. 

Als ik na deze mooie vliegdag terug rijd naar Friesland, dan denk ik na over de mogelijkheden van deze nieuwe lier en het gebruik van kunststofkabels voor mijn eigen club. De kabel is erg licht. Volgens horen zeggen weegt een 1300 m maar 16 kg. Zou zo’n kabel ook op een harde baan te gebruiken zijn? Tijdens het uitrijden raakt zo’n kabel, door z’n geringe gewicht, waarschijnlijk nauwelijks de grond. Bij het oplieren is de hele kabel direct los van de baan. Aan de andere kant mag de kabel niet te warm worden. Bij een temperatuur van 80° C verliest hij zijn kracht. Hoe zou het met slijtage op een harde baan zitten? Stel dat zou blijken dat zo’n kabel inderdaad op de verharde baan gebruikt kan worden, dan biedt dat enorme mogelijkheden. De korte baan op Leeuwarden is 2500 m lang en de lange baan is meer dan 3500 m. Hoe hoog zou je dan komen? Met een beetje wind en zes kabels aan elkaar gesplitst moet het dan mogelijk zijn om Wubbo Ockels nog eens echt in de stratosfeer te lieren. 

Dirk Corporaal, Damwoude 25–04-04