1.       Afkortingen

LCO                             - Landelijke Coaches Opleidingen

ZVL                             - (Afdeling) Zweefvliegen

KNVvL                         - Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart

ABZ                             - Afdelingsbestuur Zweefvliegen

HB                               - Hoofdbestuur

Cie                               - Commissie

CIV                              - Commissie Instructie en Veiligheid

CLR                             - Commissie Luchtruimstructuur en Radiogebruik

CW&S                          - Commissie wedstrijd en Selectie

GPL                             - Glider Pilot Licence

CTZ                             - Commissie Technische Zaken

CT                               - Commissie Terreinen

RvTV                           - Raad voor de Transport Veiligheid

OvV                             - Onderzoeksraad voor Veiligheid

EGU                            - European Glider Union

EZT                             - Erkende Zweefvliegtechnicus

RLD                             - Rijksluchtvaartdienst

MAL’s                          - Mededeling aan Luchtvarenden

AIC-B                           - Aeronautical Information Circular, series B

FAI                              - Federation Aeronautique Internationale

V&W                            - Ministerie van Verkeer en Waterstaat

IVW                             - Inspectie Verkeer en Waterstaat

ICAO                            - International Civil Aviation Organisation

RAZ                             - Reglement Afgifte Zweefvliegbewijs

NZC                             - Nationaal Zweefvliegcentrum

EVO                            - Elementaire Vliegopleiding

VVO                            - Voortgezette Vliegopleiding

FSMI                            - Federatie Sport Medische Instellingen

DBO                            - Dubbele-besturingsonderricht

CPL                             - Commercial Pilot Licence

PPL                             - Private Pilot Licence

KEI                              - KNVvL Examinering Instituut

 

 

 2.1    Organisatie Afdeling Zweefvliegen

De Afdeling Zweefvliegen (ZVL) is bij de KNVvL een orgaan conform artikel 2 lid 1 van de statuten van de KNVvL en vormt als zodanig de Afdeling Zweefvliegen.

De Afdeling heeft binnen de vereniging KNVvL een eigen en autonome bevoegdheid ten aanzien van het vliegen met zweefvliegtuigen in Nederland.

De voorzitter en de leden van het Afdelingsbestuur Zweefvliegen (ABZ) worden op de ledenvergadering gekozen. Het ABZ is de spreekbuis van de aangesloten leden naar het Hoofdbestuur (HB) van de KNVvL en naar de rijksoverheid. Communicatie naar externe instanties geschiedt ten alle tijden in samenwerking met, overleg met of met instemming van het hoofdbestuur conform artikel 13 lid 3 en 4 van de statuten.

De organisatie van de Afdeling Zweefvliegen bestaat uit:

n         Het afdelingsbestuur.

n         Werkgroepen en commissies.

n         Aangesloten zweefvliegclubs.

n         Individuele zweefvliegers. 

De Afdeling Zweefvliegen is de overkoepelende organisatie boven de zweefvliegclubs. De clubs zijn bevoegd zelfstandig te opereren wat betreft het zweefvliegen en dragen volledige verantwoording. De taken van de afdeling betreffen zaken die het clubbelang overschrijden. 

De zweefvliegclub is de plaats waar daadwerkelijk het zweefvliegen plaats vindt. Clubs hebben geïnvesteerd in vliegend en rijdend materieel, hangars, een clubhuis en vaak ook in het terrein. Clubs beschikken over instructeurs, technici, lieristen, kabelrijders enz. Clubs kennen ook privé-bezitters van zweefvliegtuigen. Privé-eigenaren zijn lid van de club en maken gebruik van de faciliteiten die een club kan bieden. De clubs hebben de verenigingsstructuur en hebben daarmee rechtspersoonlijkheid. 

Een aantal clubs in het noorden en in het zuiden van het land houdt regelmatig regio-overleg. Deze twee regio's zijn, in tegenstelling tot de clubs, geen rechtspersoon. In regioverband worden afspraken gemaakt over zaken die verder reiken dan de club. Gedacht kan worden aan het organiseren van theorie-examens voor het zweefvliegbewijs en andere activiteiten. 

Werkgroepen, evenals sommige commissies, worden op ad hoc basis ingesteld.

Een aantal permanente commissies, die bestaan uit deskundigen, adviseren het ABZ op belangrijke beleidsterreinen en specifieke gebieden. De commissies treden ook op namens de afdeling. Het ABZ is eindverantwoordelijk voor het beleid binnen de afdeling, dus ook de commissies.

De permanente commissies:

-          Cie. Instructie en Veiligheid (CIV)

-          Cie. ’t Breukstukje    

-          Cie. Kunstzweefvliegen

-          Cie. Luchtruimstructuur en Radiogebruik

-          Cie. Medische Zaken

-          Cie. Sportzaken

-          Cie. Technische Zaken

-          Cie. Terreinen

-          Cie. Verzekeringszaken

-          Cie. Wedstrijd en Selectie. 

Commissie Instructie en Veiligheid

De Commissie Instructie en Veiligheid is belast met het opzetten en handhaven van een gestandaardiseerde zweefvliegopleiding en met het bevorderen van de vliegveiligheid. Zij verzorgt de jaarlijkse conferentie van:

-          Chefinstructeurs en Landelijke Coaches Opleidingen;

-          Landelijke Coaches Opleidingen;

-          Locale coördinatoren examen GPL 

De CIV maakt ook deel uit van het internationale Training and Safety Panel (TSP). Dit TSP is een onderdeel van de OSTIV. Het TSP komt eens in de twee jaar bij elkaar om over ongevallen trends en andere veiligheidszaken te spreken. Het houdt elke vier jaar een Flight Training Seminar, waarbij gedurende een week met topinstructeurs uit de hele wereld daadwerkelijk met een aantal tweezitters gevlogen wordt. 

In de winterperiode verzorgt de CIV op verzoek veiligheidsavonden, waar deskundigen lezingen houden over de veiligheid in de recreatieve luchtvaart. 

De CIV houdt zich bezig met de totstandkoming, herziening en het herdrukken van verschillende publicaties. 

Commissie ´t Breukstukje

Deze commissie wijkt enigszins af van de andere commissies daar zij geen adviescommissie van het ABZ is, maar onafhankelijk functioneert. De CIV werft de leden aan en stelt hen voor aan de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV), waarin de Raad voor de Transportveiligheid (RvTV) is opgegaan. De Raad laat de commissieleden een geheimhoudingsverklaring tekenen, daar te hunner kennis gegevens over voorvallen kunnen worden gebracht die (nog) niet voor openbaarmaking in aanmerking komen.

De commissie kan door de OvV worden gevraagd om advies en/of ondersteuning te verlenen tijdens onderzoeken betreffende voorvallen met (motor)zweefvliegtuigen.

Tevens publiceert de commissie in de rubriek ‘Breukstukje’ van het tijdschrift ‘Thermiek’ de door de OvV vrijgegeven feiten betreffende voorvallen met (motor)zweefvliegtuigen die aan deze raad zijn gemeld. De commissie voorziet deze feiten van eigen commentaar. De tekst wordt ter finale goedkeuring voorgelegd aan de OvV. Het doel van deze artikelen is dat iedere zweefvlieger ervan kan leren en dat voorvallen, gelijkend op die welke beschreven zijn, worden voorkomen.

Commissie Kunstzweefvliegen 

Deze commissie adviseert het ABZ over deelname aan en trainingen voor de nationale en internationale kunst vliegwedstrijden. De commissie onderhoudt nationale en internationale contacten om het kunstvliegen te bevorderen en wil zo deze tak van de zweefvliegerij bevorderen. De commissie verzorgt een cursus kunstvliegen. 

Commissie Luchtruimstructuur en Radiogebruik

De CLR adviseert gevraagd of ongevraagd het ABZ en zo nodig het Hoofdbestuur van de KNVvL op het gebied van de luchtruimstructuur boven Nederland, in samenhang met het gebruik van dat luchtruim voor en door zweefvliegtuigen. De commissie treedt ook op als Nederlands aanspreekpunt voor de Airspace Coördinator van de EGU. Daarnaast adviseert en bemiddelt de commissie zweefvliegclubs bij problemen die het gebruik van het (lokale) luchtruim kunnen beperken. Ook adviseert de commissie het ABZ en het Algemeen Secretariaat KNVvL in het overleg met de overheid betreffende de toedeling en het gebruik van radiofrequenties, machtigingen voor luchtvaart VHF-apparatuur, het gebruik van transponder en grond - grond verbindingen op het zweefvliegveld. 

Commissie Medische Zaken  Deze commissie geeft zeer regelmatig adviezen over het al of niet medisch geschikt zijn voor het zweefvliegen en bemiddelt in geschiktheidprocedures. Het gaat hierbij om adviezen aan individuele zweefvliegers, clubbesturen en aan de keurende instanties. 

Met de invoering van het GPL op 1 oktober 2004 is er een convenant gesloten tussen de KNVvL en het ministerie van Verkeer en Waterstaat, waarin de voorwaarden voor de zelfregulering ten aanzien van de medische keuringen voor zweefvliegers zijn vastgelegd. Bij dat convenant hoort het Medisch Reglement (Appendix B). In deze bijlage staan alle punten volgens welke de keuring voor zweefvliegers dient plaats te vinden. 

Commissie Sportzaken

De Commissie Sportzaken houdt zich bezig met het (digitaal) uitgeven van zweefvliegbrevetten. Zij probeert door middel van automatisering een zo soepel mogelijk verloop te realiseren bij de uitgifte. 

Commissie Technische Zaken

De commissie Technische Zaken coördineert landelijk het werk van de technici en de ARC- en AMP-inspecteurs. Een ARC-inspecteur is bevoegd om een ARC af te geven, een AMP-inspecteur is bevoegd een onderhoudsprogramma goed te keuren. De CTZ zorgt dat het kwaliteitsniveau op peil blijft. Zij adviseert het ABZ over technische zaken, over de inspecties van de ARC- en AMP-inspecteurs en overlegt met IVW over uitvoering van MAL’s e.d. De commissie vergadert ongeveer 9 keer per jaar. Daarnaast organiseert zij de technicusconferentie en workshops en schrijft artikelen voor het blad Thermiek. 

Commissie Terreinen

De commissie terreinen overlegt namens het ABZ of een clubbestuur met allerlei (overheids) instanties. De commissie doet onderzoek naar terreinen voor mogelijke nieuwe zweefvliegvelden in Nederland. Ook voert zij overleg met de Luchtverkeersbeveiliging. 

Commissie Verzekeringszaken

Zweefvliegend Nederland heeft een WA-verzekering die alle risico's van het hele zweefvliegen dekt. De commissie van verzekeringsdeskundigen onderhandelt namens het ABZ met de verzekeraar. 

Commissie Wedstrijd en Selectie

De CW&S heeft een adviserende functie t.o.v. het afdelingsbestuur Zweefvliegen op het gebied van wedstrijdbeleid en het deelnamebeleid aan Nationale en Internationale wedstrijden. De CW&S heeft tevens uitvoerende taken en is o.a. verantwoordelijk voor het samenstellen van: wedstrijd- en kernploegreglementen voor zowel de kernploeg als de juniorenselectie en kunstzweefselectie, rechten en plichten van de kernploegmanager, teamcaptain, kernploegtrainer, kernploegleden, juniorenmanager, algemeen coach en wedstrijdleiders. De CW&S behartigt de belangen van de wedstrijdvliegers en regelt de selectie van de Nederlandse Kernploegen, juniorenselectie en kunstzweefselectie . De CW&S beoordeelt de wedstrijdbegrotingen en ziet toe op de besteding van wedstrijdgelden. 

Commissie Sportzaken

De Commissie Sportzaken houdt zich bezig met:

-          Conform FAI regelgeving  het (digitaal) uitgeven van zweefvlieg sportbrevetten. Door middel van automatisering wordt een zo soepel mogelijk verloop gerealiseerd bij de uitgifte.

-          Behandeling van Nederlandse zweefvlieg record aanvragen 

De afdeling Zweefvliegen wordt bijgestaan door het secretariaat van de KNVvL, dat op basis van afspraken werkzaamheden voor de afdeling verricht. Het takenpakket van het secretariaat is algemeen van aard en omvat alle werkzaamheden op het gebied van administratieve ondersteuning. Daarnaast verleent het hoofdbestuur van de KNVvL bestuurlijke en operationele ondersteuning. 

De organisatie van de Afdeling Zweefvliegen is vastgelegd in appendix C
 

2.2     Taken 

De zweefvliegclubs zijn rechtspersonen en bepalen in die zin hun eigen beleid. De taak van de Afdeling Zweefvliegen, als onderdeel van de KNVvL, is daaraan complementair. De taak van de Afdeling Zweefvliegen is drieledig:

-          Het verlenen van ondersteuning aan de clubs

-          Regeling en coördinatie van activiteiten die de gehele zweefvliegerij aangaan

-          Representatie

-          Algemeen Secretariaat 

Het verlenen van ondersteuning aan clubs Het werk van de Afdeling Zweefvliegen bestaat voornamelijk uit dienstverlening en ondersteuning aan de zweefvliegclubs. De afdeling en het afdelingsbureau fungeren als een dienstencentrum, waarop clubbesturen een beroep kunnen doen. Dienstverlening kan bestaan uit het geven van informatie, het leggen van contacten en in het uitvoeren van activiteiten. 

Regeling en coördinatie van activiteiten De Afdeling Zweefvliegen heeft een aantal uitvoerende taken. Deze liggen vooral op het terrein van veiligheid en instructie, luchtruimstructuur, examens, inspectie, technische zaken, medische zaken, verzekeringen, wedstrijden en andere sportieve zaken, terreinen voor het vliegen. Het ABZ laat zich op deze terreinen bijstaan door bovenstaande adviescommissies. De Afdeling Zweefvliegen verzorgt publiciteit over de sport en berichtgeving aan de pers. Tevens bevordert ze de contacten tussen de afdeling, de clubs en de individuele leden door de uitgifte van Thermiek en nieuwsbrieven aan de clubs. 

Representatie De Afdeling Zweefvliegen is de vertegenwoordiger van de zweefvliegers naar de KNVvL, internationale organisaties als FAI en European Gliding Union, en onderhoudt contacten met andere (sport)organisaties.. De Afdeling onderhoudt via de KNVvL contacten met de Dienst der Domeinen en met de Koninklijke Luchtmacht over alle zaken die verband houden met het medegebruik van militaire (luchtvaart)terreinen en het beoefenen van de zweefvliegsport hierop. 
 

2.3     Doelstelling Afdeling Zweefvliegen

Het kwaliteitssysteem is gerelateerd aan de doelstelling van de afdeling Zweefvliegen. De afdeling stelt zich ten doel de zweefvliegsport in Nederland in de ruimste zin van het woord te bevorderen. Dit kan o.a. worden bereikt door:

-          Verenigen van alle personen, al dan niet gegroepeerd in clubs, die in Nederland de zweefvliegsport beoefenen en/of bevorderen;

-          Het in studie nemen van onderwerpen die tot de zweefvliegsport behoren en het bevorderen van proefnemingen op dat gebied;

-          Opleiden van zweefvliegers;

-          Houden van cursussen;

-          Geven van voorlichting en het maken van propaganda door middel van pers, radio en televisie en in het bijzonder door gebruikmaking van de publiciteitsmedia die de Vereniging ten dienste staan;

-          Ondersteuning van activiteiten die leiden tot het behoud van, dan wel verwerving van zweefvliegterreinen;

-          Organiseren dan wel bevorderen van centrale kaderopleidingen;

-          Bevorderen van de instandhouding van een zweefvliegcentrum;

-          Geven van inlichtingen en adviezen;

-          Onderhouden van nauwe betrekkingen met overheidsinstanties en andere instellingen, voor zover vallende binnen de werkkring van de Afdeling;

-          Organiseren van en deelnemen aan nationale en internationale zweefvliegwedstrijden;

-          Het tot stand brengen en onderhouden van betrekkingen met buitenlandse en internationale zweefvliegorganisaties;

-          Alle andere haar ten dienste staande wettige middelen.

Een verdere uitwerking van deze doelstelling wordt gegeven in de volgende hoofdstukken van dit Kwaliteitshandboek.

 

2.4     Doelstelling van het kwaliteitshandboek 

In dit handboek zijn de kwaliteitseisen van de Afdeling Zweefvliegen vastgelegd met als doel de waarborging van opleiding en vluchtuitvoering met zweefvliegtuigen volgens het door de KNVvL opgestelde beleid ten aanzien van het vliegen met zweefvliegtuigen.  

Dit handboek wordt uitgegeven onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de Afdeling Zweefvliegen en het HB van de KNVvL. De aangesloten organisaties dienen te voldoen aan deze kwaliteitseisen.  

Het Bestuur van de Afdeling Zweefvliegen is verantwoordelijk voor dit kwaliteitshandboek en fungeert dan ook als review board bij (belangrijke) aanpassingen ervan. 

De eisen vastgelegd in dit handboek gelden uitsluitend voor clubs en leden van de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen.. Het zweefvliegen vindt plaats op recreatieve basis.  Er vindt geen vervoer plaats tegen vergoeding.  

De in dit handboek vastgelegde eisen ontslaan de houder van een zweefvliegtuig niet van de eigen verantwoordelijkheid te allen tijde aan de Nederlandse (luchtvaart)wetgeving te voldoen voor zover deze van toepassing is.
 

2.5     Verklaring kwaliteitsbeleid Afdeling Zweefvliegen 

Het kwaliteitsbeleid van de Afdeling Zweefvliegen beoogt het bevorderen van op veilige wijze zweefvliegen met luchtwaardige vliegtuigen.

Daartoe worden eisen gesteld aan het onderhoud, de opleiding en het uitvoering van de zweefvliegvluchten door clubs en leden van de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen.. De ALV’s, Instructeurs conferenties, LCO-bijeenkomsten, landelijke bijeenkomsten technici en dergelijke, dienen tot instandhouding en verbetering van het kwaliteitsbeleid.. , 

2.6     Toezicht

De Inspectie Verkeer en Waterstaat bevordert veilige en duurzame luchtvaart op en boven Nederlands grondgebied. Zij doet dat door toezicht te houden op de uitvoering en de naleving van het luchtvaartbeleid en de (inter)nationale luchtvaartregelgeving. Een veilig, leefbaar en bereikbaar Nederland met zo weinig mogelijk voorvallen is het doel.  

Sinds oktober 2004 heeft de overheid alle eisen aan brevettering en medische geschiktheid laten vallen. De KNVvL is de partij die de uitdaging opnam en de examinering en brevettering ter hand nam. De Vereniging besloot dat de kwaliteit van de luchtsport niet op een lager niveau mocht komen te liggen waarmee de zelfregulering werd ingeleid. 

De KNVvL waarborgt de internationale erkenning voor het uit te geven brevet. Om de internationale geldigheid te zekeren is een convenant afgesloten met het ministerie van V&W. In dit convenant verplicht de KNVvL zich examens op aanvraag af te nemen en aan geslaagden een brevet af te geven overeenkomstig Annex 1 bij het ICAO-verdrag. Tevens verplicht de KNVvL zich volgens het zelfde verdrag om medische verklaringen af te geven. Er zijn procedures vastgesteld voor sancties, schorsing, examens en keuringen. Voorts zijn er afspraken gemaakt over beëindiging, geschillen en evaluatie. De IVW behoudt de controle over de afgifte, schorsing en intrekking van bewijzen van luchtwaardigheid. In Appendix C is het examenreglement te vinden. 

Het kwaliteitshandboek en toekomstige wijzigingen hierin zullen openbaar gemaakt worden. 

De KNVvL en IVW zullen wanneer nodig overleg voeren over de uitvoering en resultaten van het toezicht. 

 

Lijst van aangesloten en door de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen erkende clubs

1

Aeroclub Salland

0572-371543

http://aeroclubsalland.nl/

2

Aeroclub Valkenburg

071-4016555

http://www.inter.nl.net/hcc/ACV/

3

Aeroclub Nistelrode

0412-611897

http://www.acnistelrode.nl/

4

Amsterdamse club voor Zweefvliegen

0346-336911

http://www.acvz.nl/

5

Delftsche Studenten Aeroclub

015-2150036

http://dsc.tudelft.nl/onderverenigingen/aero/

6

Drienerlose Zweefvliegclub

 06-45384480

http://www.vleugellam.utwente.nl/

7

Eindhovense Aeroclub

040-2920573

http://www.eaczc.nl/

8

Eerste Limburgse Zweefvliegclub

045-5641651

http://www.elzc.nl/

9

Eerste Zeeuws Vlaamse Aeroclub

0115-562066

http://www.ezac.nl/

10

Eerste Zaanse Zweefvliegclub

0251-651626

http://www.ezzc.nl/

11

Friese Aero Club

058-2346295

http://www.frieseaeroclub.nl/

12

Gelderse Zweefvliegclub

035-5242273

http://www.gezc.org/

13

Gilzer Luchtvaartclub Íllustrious

0161-226030

http://www.illustrious.nl/

14

Gliding Adventures Europe

030-2284043

http://www.zweven.eu/

15

Gooise Zweefvliegclub

035-5771353

http://www.gozc.nl/

16

Groninger Studenten Aeroclub

050-3184027

http://www.kvi.nl/gsa/

17

Kennemer Zweefvliegclub

0252-373403

http://dutlrut.lr.tudelft.nl/kzc

18

Leidse Studenten Aeroclub

 

http://www.luchtsportvalkenburg.nl/clubs/

19

Nijmeegse Aeroclub

024-3580205

http://www.nijac.nl/

20

Nijmeegse studenten aeroclub 06 19529158 http://www.nsastabilo.nl/

21

Noord Nederlandse Zweefvliegclub Veendam

0598-623259

http://fly.to/nnzc

22

Twentsche Zweefvliegclub

053-4806911

http://www.tzc.aero/

23

Vliegclub Haamstede

0111-653557

http://www.vch.nl/

24

Vliegclub Hoogeveen

0528-264600

http://www.vliegclubhoogeveen.nl/

25

Vliegclub Teuge

055-3238586

http://www.zweven.nl/

26

Vliegclub Midden Zeeland

0113-612528

http://www.vliegclubmz.nl/

27

Venlose Zweefvliegclub

077-3514050

http://www.venlosezweefvliegclub.nl/

28

West Brabantse Aeroclub

0164-615201

http://www.wbac.nl/

29

Zweefvliegclub Ameland

078-6144129

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

30

Zweefvliegclub Den Helder

0227-577300

http://www.zweef.nl/

31

Zweefvliegclub Texel

0222-311467

http://www.mzct.nl/

32

Zweefvliegclub Deelen

026-3335224

http://www.zcdeelen.nl/

33

Zweefvliegclub Flevo

0321-332424

http://www.zcflevo.nl/

34

Zweefvliegclub Noord Oostpolder

0527-201364

http://www.zcnop.nl/

35

Zweefvliegclub Rotterdam

010-4747024

http://www.zcrotterdam.nl/

36

Zweefvliegclub Volkel

0413-276131

http://www.zvcvolkel.nl/

37

Zweefvliegclub Eindhovense Studenten

0493-599611

http://www.zweefvliegen.nu/

38

Zuidhollandse Vliegclub

071-4074690

http://www.zhvc.nl/

 

Zweefvliegclub Oost Nederland

0578-692135

http://fly.to/zweefvliegcluboost

 

     

 

 3.1   Algemeen

Vanaf verschillende vliegvelden kan men zweefvliegen. Voor alle soorten vluchten geldt een aantal algemene richtlijnen, waarnaast per soort vlucht nog een aantal additionele regels geldt. Uiteraard dient te allen tijde de veiligheid gewaarborgd te blijven, al vanaf het moment van arriveren op het zweefvliegveld.

Om te zweefvliegen wordt de lierwagen gestationeerd en worden de lierkabels uitgereden. De zweefvliegtuigen worden met een auto of tractor naar de startplaats getrokken of er naar toe geduwd. Wanneer het vliegtuig in de startpositie is gebracht, wordt de lierkabel  aangebracht. De startleider beslist wanneer de start aan kan vangen.

Bij de vliegtuigsleepstart wordt de sleepkabel vastgemaakt aan de neushaak of de zwaartepuntshaak. De startleider geeft bij deze startmethode de tekens door aan de marshaller (deze staat schuin voor het sleepvliegtuig) en hij geeft ze door aan de sleepvlieger. De marshaller controleert nog eens of de startbaan en het luchtruim erboven vrij zijn en geeft dan een teken dat er gestart kan worden.

Als de kabel strak is, wordt dit aan de sleepvlieger doorgegeven.

 3.2   Lokale vluchten

Met lokale vluchten worden vluchten bedoeld waarbij de zweefvlieger binnen een straal van 5 km van het vliegveld waarop gestart werd blijft.

 3.3   Overlandvluchten

Overlandvluchten zijn vluchten waarbij de straal van 5 km van het vliegveld waar vandaan gestart wordt, wordt overschreden.

 

3.4   Lesvluchten

Lesvluchten zijn een onderdeel van de zweefvliegopleiding waarbij vooral de veiligheid goed in het oog gehouden dient te worden. De lesvluchten vinden plaats volgens de DBO-methode (dubbele-besturingsonderricht) waarbij de instructeur mee vliegt en volgens de solomethode waarbij een gevorderde zweefvlieger als enige inzittende onder toezicht van een instructeur vliegt. De tweezitteropleiding mag uitsluitend gegeven worden door instructeurs die in het bezit zijn van een geldige GPL(VO)-bevoegdheid. Zonder GPL kan door solisten slechts gevlogen worden onder toezicht en verantwoordelijkheid van een instructeur met een geldige GPL(VO)-bevoegdheid. De solisten dienen over een geldige medische verklaring (Medical Certificate) te beschikken. Clubs die  afwijken van deze regels worden niet langer door de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen erkend. 

 

3.5   Wedstrijdvluchten

Naast overlandvliegen bestaat het kunstzweefvliegen. In beide disciplines worden wedstrijden gehouden. Dit gebeurt in nationaal en internationaal verband.

 

3.6   Introductievluchten

Zweefvliegers die geïnteresseerden mee willen nemen, kunnen dat doen met een zogenaamde introductievlucht. Deze vlucht dient niet commercieel te zijn. Een vergoeding voor de onkosten is wel mogelijk. Degene die introductievluchten uitvoert dient er voor te zorgen dat elke passagier in begrijpelijke taal op de hoogte wordt gesteld en doordrongen is van de risico’s van een vlucht met een zweefvliegtuig. Hiertoe zal voor elke vlucht een briefing met de passagier worden gehouden. Het doel van deze briefing is het voorlichten van de passagier op het gebied van zweefvliegen en de vliegveiligheid in de ruimste zin van het woord.   

 

4.1   Algemeen

 

De KNVvL geeft brevetten uit voor de Luchtsporten. De procedures en eisen die verbonden zijn aan de aanvraag zijn in dit hoofdstuk vastgelegd.  

 

4.2   Brevet- en ervaringseisen voor zweefvliegers

 

Door de KNVvL wordt het GPL (Glider Pilot Licence) uitgegeven. Dit GPL wordt verstrekt aan zweefvliegers die een zweefvliegopleiding hebben gevolgd bij een door de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen erkende zweefvliegclub. De opleiding staat beschreven in de opleidingsboeken die onder toezicht of namens de Afdeling Zweefvliegen worden uitgegeven. Daarnaast moeten de zweefvliegers geslaagd zijn voor het theoretische en praktische examen, zoals dat omschreven staat in het examenreglement zweefvliegen van de KNVvL.

Wanneer de aanvrager voor het eerst een aanvraag indient voor het verkrijgen van een GPL, dient deze de examens, zoals beschreven in hoofdstuk 5 van dit document, met goed gevolg doorlopen te hebben. Daarnaast moet voldaan worden aan de eisen die beschreven worden in het “Reglement Afgifte Zweefvliegbewijs” (RAZ) (Artikel 3). 

De verlenging van een GPL kan aangevraagd worden maximaal drie maanden voor de expiratiedatum tot drie maanden daarna. De eisen voor het verlengen van het GPL staan beschreven in RAZ artikel 9. 

Wanneer de aanvrager al in het bezit is geweest van een GPL dan is er de mogelijkheid tot een herafgifte in geval van bijvoorbeeld diefstal of vernieuwing in geval van uitbreiding van het zweefvliegbewijs. Een herafgifte wordt gegeven wanneer de aanvrager niet langer in het bezit is van het GPL. (RAZ, artikel 5 en 6)

Voor de zweefvlieger die een nieuwe bevoegdverklaring gehaald heeft, is het raadzaam om bij de aanvraag van uitbreiding ook een aanvraag tot verlenging in te dienen van de overige aantekeningen. Dit omdat dan de geldigheid van alle aantekeningen met twee jaar verlengd kunnen worden indien men aan de eis voldoet. 

5.1   Algemeen

De opleiding tot zweefvlieger vindt plaats binnen de zweefvliegclubs. De clubs zijn autonoom maar volgen de gezamenlijke afspraken van de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen. De opleiding staat beschreven in de opleidingsboeken die onder toezicht of namens de Afdeling Zweefvliegen worden uitgegeven. De clubs bepalen hun eigen beleid ten aanzien van de opleiding tot zweefvlieger. 

De Commissie Instructie en Veiligheid (CIV) doet voorstellen ten aanzien van de inhoud van opleidingen en legt deze voor aan de jaarlijkse vergadering van chefinstructeurs van clubs. Op deze wijze wordt getracht de standaardisatie van de opleidingen tot zweefvlieger te bevorderen. 

5.2   Training en bekwaamheid van de zweefvlieger 

De luchtvaart wordt in grote mate internationaal geregeld. ICAO (International Civil Aviation Organisation) is een onderdeel van de VN en de wereldorganisatie voor de luchtvaart. Ze is opgericht in 1944. Momenteel telt zij 192 deelnemende landen.

Ook op het gebied van zweefvliegen bepaalt ICAO aan welke eisen een opleiding zweefvliegen moet voldoen. De KNVvL-opleiding is volgens de eisen van ICAO en omvat de opleiding, de examinering, de brevetten. De KNVvL rapporteert hierover aan het ministerie van V&W. De minister van V&W geeft door een verklaring op het brevet aan dat de opleiding conform ICAO is. 

De zweefvliegopleiding bestaat uit 3 onderdelen:

-          De Elementaire Vliegopleiding (EVO). Dat is de praktijkopleiding van de eerste start tot en met de eerste solovlucht. 

-          De Voortgezette Vliegopleiding -1 (VVO -1) is de praktijkopleiding van de solovliegende zweefvlieger die zich voorbereidt op het praktische en theoretische examen voor het GPL.

-          De Voortgezette Vliegopleiding -2 (VVO -2) is geschreven voor zweefvliegbewijshouders die overlandvluchten willen gaan maken.  

Het examen voor het GPL (Glider Pilot Licence) bestaat uit een theorie-examen en een praktijkexamen. De benodigde vaardigheden voor de praktijkopleiding staan beschreven in het examenreglement voor het Glider Pilot Licence. 

Bijna alle zweefvliegers vliegen elk jaar ook in het buitenland. Om in het buitenland te mogen zweefvliegen moet de staat verklaren dat de opleiding en de medische keuring voldoen aan de eisen van ICAO. De zweefvliegclubs leiden op volgens de ICAO-eisen. Daarom moet elke solo-vliegende zweefvlieger en zweefvliegbewijshouder medisch goedgekeurd zijn. De KNVvL heeft met de FSMI (Federatie Sport Medische Instellingen) een overeenkomst over de wijze van keuren en de afgifte van de medische verklaring. 

5.3   Training en bekwaamheid van de instructeur 

Het instructeurexamen bestaat uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte. Met het slagen voor beide delen verwerft de kandidaat één of meer aantekeningen op zijn zweefvliegbewijs

-          VO(G): Grondinstructie.

-          VO(L): DBO-instructie voor de lierstart methode.

-          VO(S): DBO-instructie voor de sleepstart methode 

Jaarlijks worden cursussen georganiseerd waarin de kandidaat wordt voorbereid op het theorie examen. Kandidaat-instructeurs kunnen zich bij het examensecretariaat inschrijven voor deelname aan het examen, dat tweemaal per jaar wordt gehouden. De benodigde vaardigheden voor de opleiding van instructeurs staan beschreven in het examenreglement voor het Glider Pilot Licence.

 Het theorie-examen bestaat uit de volgende zes onderdelen:

-          Voorschriften

-          Human factors

-          Meteorologie

-          Aërodynamica

-          Constructie

-          Instrumenten 

Houders van een CPL, een groot militair- of marinebrevet zijn,  vrijgesteld van de vakken meteorologie, aërodynamica en instrumenten. Zweefvliegtechnici zijn vrijgesteld voor aërodynamica, constructies en instrumenten. 

Kandidaten die geslaagd zijn voor een onderdeel, krijgen daarvoor een certificaat uitgereikt. Na het behalen van certificaten voor alle 5 de onderdelen is de kandidaat geslaagd voor het theorie-examen. 

Nadat de kandidaat is geslaagd voor het theorie-examen stuurt het examensecretariaat een werkboek voor de praktijkopleiding tot zweefvlieginstructeur, het instructeurhandboek en het aanmeldingsformulier voor de praktijkopleiding toe. 

Bij de club waar de kandidaat zijn praktijkopleiding wil gaan volgen zal door het college van instructeurs worden beoordeeld in hoeverre deze geschikt is als toekomstig instructeur. Er worden hem minstens één, maar liefst twee, mentoren toegewezen die hem op zijn weg naar het praktijkexamen zullen begeleiden. 

Onder leiding en verantwoordelijkheid van de mentoren worden de volgende oefeningen gedaan:

-          Grondleiding. Hierin wordt gedurende 15 vliegdagen het daadwerkelijk leiden van het clubvliegbedrijf beoefend

-          Grondinstructie. De standaard vliegoefeningen van EVO en VVO -1 worden op de grond geïnstrueerd

-          DBO (Dubbele Besturingsonderricht). De standaard vliegoefeningen van EVO en VVO -1 worden vliegend in de tweezitter geïnstrueerd. 

Stagestarts met echte leerlingen mogen pas uitgevoerd worden wanneer de oefeningen met de mentor zijn gedaan en voldoende beoordeeld. Het verloop van de praktijkoefeningen en de vorderingen van de kandidaat worden bijgehouden in het werkboek.  

Nadat het opleidingsprogramma met goed resultaat is afgewerkt kan de kandidaat-instructeur het praktijkexamen aanvragen bij het examensecretariaat. Ten tijde van de aanvraag dient de kandidaat minimaal 20 jaar oud te zijn en een vliegervaring van 500 starts te hebben gemaakt of 75 uur. 

Twee LCO leden (Landelijke Coaches Opleidingen) van de examencommissie beoordelen de kandidaat tijdens een vliegdag op zijn functioneren als instructeur en het aanhouden van de juiste opleidingsstandaarden. Wanneer de LCO leden dit als voldoende waarderen wordt het examensecretariaat hiervan in kennis gesteld. Het secretariaat stuurt de gegevens door naar het KNVvL Examinering Instituut (KEI) waar de bijbehorende aantekening(en) op het GPL worden toegevoegd.   

5.4   Ervaringseisen voor een Examinator / LCO

Een examinator moet minstens 6 jaar instructeur Lieren / Slepen zijn. Zij moeten ervaring hebben als mentor. Gesteld wordt dat zij minstens drie kandidaat-instructeurs met goed gevolg hebben opgeleid. Zij dienen meer dan normale belangstelling te hebben voor de instructie en de theorie daarvan. Te goeder naam en faam bekend staan als deskundige. 

5.5   Loggegevens

 Iedere zweefvlieger dient in een logboek gegevens te noteren die blijk geven van de opgedane ervaring. In een logboek komen de volgende gegevens:

-          Aantal solovluchten

-          Aantal uren solo

-          Aantal lierstarts

-          Aantal sleepstarts

-          Aantal zelfstarts

 

6.1               Audits

Audits zijn systematische en onafhankelijke onderzoeken teneinde vast te stellen dat de uitvoering van de werkzaamheden overeenstemt met de eraan ten grondslag liggende procedures / instructies.

Het doel van audits is het vaststellen dat vluchten met zweefvliegtuigen, vallend onder de Afdeling Zweefvliegen, veilig worden uitgevoerd met luchtwaardige vliegtuigen. Ten aanzien van de luchtwaardigheid bezoeken kwaliteitsinspecteurs van de Afdeling Zweefvliegen jaarlijks de ARC- en AMP-inspecteurs. De landelijke coaches opleiding zweefvliegen (LCO-ers) bezoeken tijdens de opleiding en bij examens van de instructeurs in opleiding de zweefvliegclubs tijdens het vliegbedrijf. De LCO-ers bezoeken elke zweefvliegclub minimaal één keer per 24 maanden.  

6.2               Audit planning

Audits worden uitgevoerd in een jaarlijkse cyclus. Iedere procedure zal daarbij in de loop van de tijd aan een audit worden onderworpen. Audits worden ter kennis gesteld aan het bestuur van de zweefvliegclub . 

6.3               Audit uitvoering

Audits worden uitgevoerd door kwaliteitinspecteurs en LCO-ers  aangesteld door de Afdeling Zweefvliegen . Een auditor heeft geen werkrelatie met de procedure die onderwerp is van de audit.

Voor een audit van het vliegbedrijf, een werkplaats of de luchtwaardigheid  van een zweefvliegtuig zal een vragenlijst worden opgesteld door de auditor.   

6.4               Omgang met bevindingen van audits

Een audit zal worden gerapporteerd in een Audit Report. Hierin staan de waarnemingen van de auditor, de bevindingen en een conclusie van de audit.

Bevindingen bij audits kennen drie niveaus:  

Level 1

directe negatieve invloed op de veiligheid

dient direct te worden gecorrigeerd

Level 2

indirecte negatieve invloed op de veiligheid

bevinding zal uiterlijk binnen drie maanden of zoveel korter als auditor en auditee overeenkomen

Level 3

Opmerking

bevinding heeft geen actietermijn

 

6.5               Auditors

Auditors zijn gekwalificeerd om audits uit te voeren. 

6.6               Geschillen

Een geschil tijdens een audit tussen auditor en auditee zal worden voorgelegd aan de commissie technische zaken (CTZ) als het om technische of luchtwaardigheid gaat en aan de commissie instructie en veiligheid (CIV) als het een audit van het vliegbedrijf betreft. Indien het geschil aldus niet kan worden beslecht zal het bestuur van de zweefvliegclub  worden ingeschakeld. Indien ook dan geen overeenstemming kan worden bereikt wordt het geschil voorgelegd aan de voorzitter van de Afdeling Zweefvliegen die een beslissing neemt. Zie ook het reglement geschillen van de KNVvL.

 

7.1.        Algemeen

      Het vliegen met een zweefvliegtuig dient op zo’n manier te geschieden dat bij de uitvoering ervan geen personen of zaken, in de lucht of op de grond, onnodig in gevaar worden gebracht. Mede door de aandacht voor veilig zweefvliegen in Nederland en het ontbreken van bergen, heeft Nederland verhoudingsgewijs een laag aantal zweefvliegongelukken. De zweefvlieg opleidingen moeten ook gericht zijn op het vergroten van kennis van de menselijke prestaties en beperkingen middels human factors onderricht. De afdeling zweefvliegen moedigt tevens aan dat er aandacht wordt besteed aan 'leeftijdsgerelateerde aspecten' die het veilig vliegen negatief kunnen beïnvloeden. 

7.2.        Veiligheid in het vliegtuig

De veiligheid in het vliegtuig staat beschreven in de opleidingsboeken van de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen:

 7.3        Veiligheid buiten het vliegtuig

De veiligheid buiten het vliegtuig staat beschreven in de opleidingsboeken van de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen:

-          EVO (Zweefvliegen Elementaire Vliegopleiding) derde druk 2007

-          VVO-1 (Voortgezette Vliegopleiding -1) zie: www.zweefvliegopleiding.nl

-          VVO-2 (Voortgezette Vliegopleiding-2) zie:  www.zweefvliegopleiding.nl

-          De kenniseisen voor het GPL zie: http://www.civ.zweefportaal.nl/

-          De kenniseisen voor instructeurs zie: http://www.civ.zweefportaal.nl/

-    Kennis van menselijke prestaties en beperkingen: http://www.civ.zweefportaal.nl/

-    Aandacht voor leeftijdsbegeleiding, zie  http://www.civ.zweefportaal.nl

 

7.4.        Veiligheid op het zweefvliegterrein

De veiligheid op het zweefvliegterrein staat beschreven in de opleidingsboeken van de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen:

-          EVO (Zweefvliegen Elementaire Vliegopleiding) derde druk 2007

-          VVO-1 (Voortgezette Vliegopleiding -1) zie: www.zweefvliegopleiding.nl

-          VVO-2 (Voortgezette Vliegopleiding-2) zie:  www.zweefvliegopleiding.nl

-          De kenniseisen voor het GPL zie: http://www.civ.zweefportaal.nl/

-          De kenniseisen voor instructeurs zie: http://www.civ.zweefportaal.nl/ 

 

7.5        Veiligheid in de lucht

De veiligheid in de lucht staat beschreven in de opleidingsboeken van de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen:

-          EVO (Zweefvliegen Elementaire Vliegopleiding) derde druk 2007

-          VVO-1 (Voortgezette Vliegopleiding -1) zie: www.zweefvliegopleiding.nl

-          VVO-2 (Voortgezette Vliegopleiding-2) zie:  www.zweefvliegopleiding.nl

-          De kenniseisen voor het GPL zie: http://www.civ.zweefportaal.nl/

-          De kenniseisen voor instructeurs zie: http://www.civ.zweefportaal.nl/

 

7.6        Vliegdiscipline

De vliegdiscipline staat beschreven in de opleidingsboeken van de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen:

-          EVO (Zweefvliegen Elementaire Vliegopleiding) derde druk 2007

-          VVO-1 (Voortgezette Vliegopleiding -1) zie: www.zweefvliegopleiding.nl

-          VVO-2 (Voortgezette Vliegopleiding-2) zie:  www.zweefvliegopleiding.nl

-          De kenniseisen voor het GPL zie: http://www.civ.zweefportaal.nl/

-          De kenniseisen voor instructeurs zie: http://www.civ.zweefportaal.nl/ 

7.7        Gedragscode  “Verantwoord Vliegen” Gedragscode voor de Recreatieve luchtvaart opgesteld door de KNVvL en AOPA 

Inleiding

Het doel van de gedragscode is om vliegtuigbestuurders in de (ongemotoriseerde en

gemotoriseerde) recreatieve luchtvaart een houvast te bieden bij het bepalen van

normen bij het vliegen in de nabijheid van natuurbeschermingsgebieden,

aaneengesloten bebouwing, verzamelingen van mensen en evenementen. Het

hanteren van deze code en het daarbij vereiste vliegerschap is een belangrijke

voorwaarde voor het draagvlak van de luchtvaart bij de Nederlandse bevolking en

het voorkomt mogelijk nadere regelgeving door de overheid.

Vliegtuigbestuurders zijn op de naleving van gedragscodes aanspreekbaar; wanneer

zij zich er niet aan houden, kan dat binnen de organisatie waar zij deel van uitmaken

sancties tot gevolg hebben. Uitgangspunt blijft echter de eigen verantwoordelijkheid

van de vliegtuigbestuurder.

Deze gedragscode is voor alle vliegtuigbestuurders in de recreatieve luchtvaart en

mag aangemerkt worden als een aanvulling op alle wettelijke plichten en op de

reglementen die voor de luchtvaart zijn vastgesteld. Het gaat er om te

bewerkstelligen dat men bij het uitoefenen van de hobby of sport steeds vanuit de

juiste houding handelt. Dat men meer en eerder bij zichzelf te rade zal gaan of men

kan verantwoorden dat men iets doet of nalaat. Vliegtuigbestuurders dienen zich te

realiseren dat ze op hun gedrag kunnen worden aangesproken.

Van elke vliegtuigbestuurder wordt verwacht dat hij of zij deze gedragscode

onderschrijft.

De code bestaat uit twee onderdelen.

Deel I beschrijft een aantal kernbegrippen van verantwoord vliegerschap en bieden

algemene uitgangspunten voor de gedragscode.

Deel II bevat de feitelijke gedragsregels.

 

Deel I. Kernbegrippen van verantwoord vliegen

Vliegtuigbestuurders stellen het op verantwoorde wijze uitvoeren van de vlucht

centraal. Het zo min mogelijk verstoren van het leefklimaat is daarvan een

onlosmakelijk onderdeel.

Verantwoord vliegerschap houdt in dat vliegtuigbestuurders bij hun handelen een

veilige vluchtuitvoering centraal stellen en de bereidheid tonen om daarover

verantwoording af te leggen. Verantwoording wordt intern afgelegd aan het bestuur

en eventueel de algemene vergadering van de organisatie waar men lid van is, maar

ook extern aan organisaties en overheden die aangesproken kunnen worden op het

handhaven van het leefklimaat voor de gemeenschap.

Een aantal kernbegrippen is daarbij leidend en plaatst de integriteit in een breder

perspectief:

 

2  Professionaliteit

Het handelen van een vliegtuigbestuurder is altijd en volledig gericht op een

verantwoorde operatie in het belang van de externe veiligheid en het voorkomen van

overlast.

 

Functionaliteit

Het handelen van een vliegtuigbestuurder stemt overeen met de door hem vooraf

geplande vluchtuitvoering.

 

Onafhankelijkheid

Het handelen van een vliegtuigbestuurder wordt gekenmerkt door zelfstandigheid. Hij

of zij zal zich niet laten afleiden van correcte uitvoering van de vlucht anders dan

door operationele overwegingen.

 

Openheid

Het handelen van een vliegtuigbestuurder is transparant. Indien vereist of gewenst

zal volledig inzicht kunnen worden gegeven in alle fasen van de vlucht.

 

Betrouwbaarheid

Op een vliegtuigbestuurder moet men kunnen rekenen. Die houdt zich (afgezien van

externe operationele omstandigheden) aan zijn vliegplan en voornemens, behoudens

operationele noodzakelijkheden.

 

Zorgvuldigheid

Een vliegtuigbestuurder bereidt zijn vlucht nauwkeurig voor, zorgt voor een accurate,

elk risicomijdende, vluchtuitvoering en gedraagt zich “als een heer in het

luchtverkeer”.

Deze kernbegrippen zijn de toetssteen voor de volgende gedragsafspraken.

Gedragingen moeten aan deze kernbegrippen getoetst kunnen worden.

 

Deel II. Gedragscode voor bestuurders van luchtvaartuigen

1 Algemene bepalingen

1.1 Deze gedragscode geldt voor alle bestuurders van luchtvaartuigen in de

ongemotoriseerde en de gemotoriseerde recreatieve luchtvaart.

1.2 De code is openbaar en door derden te raadplegen.

1.3 Organisaties in de recreatieve luchtvaart stellen deze code bekend bij alle

bestuurders van luchtvaartuigen die zich onder hen hebben verenigd, of van de

aangeboden diensten gebruik maken.

1.4 Organisaties kunnen wegens schending van de gedragscode besluiten tot

maatregelen.

1.5 Jaarlijks vindt binnen de recreatieve luchtvaart een evaluatie plaats over de

wijze waarop de gedragscode is nageleefd en de eventuele maatregelen die

zijn genomen.

 

 Appendices:

A.   Afdelingsreglement

 Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit reglement wordt verstaan onder:

1.       De Vereniging: de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart.

2.       De Afdeling: de Afdeling Zweefvliegen van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart.

3.       Individuele leden: leden van de Vereniging, die overeenkomstig hetgeen ter zake is bepaald in de Statuten en bij Huishoudelijk Reglement, individueel zijn ingedeeld bij de Afdeling Zweefvliegen.

4.       Clubs: verenigingen aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart, die overeenkomstig hetgeen ter zake is bepaald in de Statuten en bij Huishoudelijk Reglement, zijn ingedeeld bij de Afdeling Zweefvliegen. 

Doel

 Artikel 2

De Afdeling stelt zich ten doel de zweefvliegsport in Nederland in de ruimste zin des woords te bevorderen.

Dit kan worden bereikt door:

1.       Het verenigen van alle personen, al dan niet gegroepeerd in clubs, die in Nederland de zweefvliegsport beoefenen en /of bevorderen;

2.       Het in studie nemen van onderwerpen, die tot de zweefvliegsport behoren en het doen bevorderen van proefnemingen op dat gebied;

3.       Het doen opleiden van zweefvliegers.

4.       Het doen houden van cursussen, voordrachten, bijeenkomsten en besprekingen;

5.       Het geven van voorlichting en het maken van propaganda door middel van pers, radio en televisie en in het bijzonder door gebruikmaking van de publiciteitsmedia welke de Vereniging ten dienste staan;

6.       Ondersteuning van activiteiten leidende tot behoud van, dan wel verwerving van zweefvliegterreinen;

7.       Het organiseren dan wel bevorderen van centrale kaderopleidingen;

8.       De bevordering van de instandhouding van een zweefvliegcentrum.

9.       Het geven van inlichtingen en adviezen;

10.   Het onderhouden van nauwe betrekkingen met overheidsinstanties en andere instellingen, voor zover vallende binnen de werkkring van de Afdeling

11.   Het organiseren van en doen deelnemen aan nationale en internationale zweefvliegwedstrijden;

12.   Het tot stand brengen en onderhouden van betrekkingen met buitenlandse en met internationale zweefvliegorganisaties;

13.   Alle andere haar ten dienste staande wettige middelen.

 Clubs 

Artikel 3

1.       De statuten en reglementen van clubs mogen geen bepalingen bevatten die in strijd zijn met de Statuten en/of het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging of met dit Afdelingsreglement.

2.       Een kandidaat-club dient zijn aanvraag voor aansluiting te doen vergezellen van zijn statuten. Het Afdelingsbestuur neemt ondermeer de statuten van de kandidaat-club in beschouwing en vermeldt zijn bevindingen in zijn advies aan het Bestuur van de Vereniging omtrent de toelating. Bij de aanvraag van een kandidaat-club voor aansluiting zal het afdelingsbestuur voor het bepalen van zijn advies tot toelating van de navolgende maatstaven uitgaan:

a.       aanvaardbaarheid van de statuten en huishoudelijk reglement;

b.      het bezit c.q. (mede)gebruik van een (zweef)vliegterrein met de daarvoor noodzakelijke gebruikstoestemmingen van eigenaar(s), andere medegebruiker(s) en relevante autoriteiten;

c.       levensvatbaarheid als zweefvliegclub door het bezit van of de beschikking over één (of meer) zweefvliegtuig (en) en startmiddel(en), alsmede het kunnen beschikken over bevoegd kader;

d.      het aantonen van een gezonde financiële basis. ,

3.       Clubs dienen wijzigingen in hun statuten of huishoudelijk reglement te melden aan het Bestuur van de Afdeling Zweefvliegen.

4.       Clubs zijn verplicht al hun vliegende leden aan te melden bij de KNVvL.

5.       Clubs houden zich, tijdens een vliegbedrijf dat onder hun verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend, aan de hier onder a. t/m d. genoemde punten:

a.       Clubs staan, anders dan in gevallen als onder d. omschreven, het recht om als zweefvlieger op te treden uitsluitend toe aan vliegers die in het bezit zijn van een geldig GPL, dat uitgegeven is door de Vereniging en tevens van een geldig medisch certificaat, dat uitgegeven is door de Vereniging of door een door de Vereniging hiertoe bevoegd verklaarde instantie. Een geldig gelijkwaardig buitenlands zweefvliegbewijs wordt daarbij gelijkgesteld aan een geldig GPL, een geldig gelijkwaardig buitenlands medisch certificaat aan een geldig medisch certificaat.  

b.       Het praktische deel van de opleiding voor het GPL wordt uitsluitend gegeven door instructeurs met een geldig GPL met daarin aangetekend een bevoegdheid tot het geven van vliegonderricht of door instructeurs in opleiding, onder toezicht en verantwoordelijkheid van hun mentor. 

c.        De opleiding voor het GPL wordt alleen gegeven volgens de opleidingsmethode zoals die door de Afdeling van tijd tot tijd wordt vastgesteld.  

d.       Clubs laten vliegers die niet in het bezit zijn van een geldig GPL uitsluitend als zweefvlieger optreden indien zij beschikken over een geldig medisch certificaat, zij voor de te maken vlucht vooraf toestemming hebben gekregen van een instructeur die beschikt over een geldig GPL met daarin aangetekend een bevoegdheid tot het geven van vliegonderricht, en zij de vlucht uitvoeren onder toezicht en verantwoordelijkheid van genoemde instructeur of van een andere instructeur die beschikt over een gelijkwaardige bevoegdheid. 

Afdelingsbestuur 

Artikel 4

1.       De Afdeling heeft een Afdelingsbestuur bestaande uit een voorzitter, een vicevoorzitter, een penningmeester en twee tot vijf leden. De Afdelingssecretaris, die in dienst is van de Vereniging, treedt op als secretaris van het Afdelingsbestuur. Hij heeft in dit orgaan een adviserende stem. Tenminste één der leden zal bij voorkeur voortkomen uit een militaire zweefvliegclub.

2.       De Afdelingsvergadering stelt - op voordracht van het Afdelingsbestuur - het aantal bestuursleden vast. 

Artikel 5

1.       Verkiezing van het Afdelingsbestuur heeft plaats tijdens de eerste in het kalenderjaar te houden Afdelingsvergadering.

2.       Verkiesbaar tot lid van het Afdelingsbestuur zijn gewone leden van de Vereniging, voor zover zij zijn ingedeeld bij de Afdeling.

3.       De voorzitter wordt in functie gekozen.

4.       Leden van het Afdelingsbestuur hebben zitting voor een periode van twee jaren; zij zijn tweemaal voor een zelfde periode onmiddellijk herkiesbaar.

5.       Aftreden geschiedt volgens een rooster, zodanig dat in het ene jaar de voorzitter en de helft van de overige bestuursleden aftredend zijn, in het volgend jaar de vice-voorzitter en de overige leden, die twee jaar daarvoor werden benoemd.

6.       De leden van het Afdelingsbestuur kunnen zich op de vergaderingen van het Afdelingsbestuur niet doen vervangen.

7.       Het Afdelingsbestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter zulks noodzakelijk acht, zo ook wanneer tenminste drie der bestuursleden hiertoe aan het secretariaat de wens te kennen geven.Alle besluiten der vergadering worden bij meerderheid van stemmen genomen; bij staken der stemmen wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Stemmen over personen geschiedt schriftelijk. Indien er geen tegenkandidaten worden voorgedragen kan er ook bij acclamatie worden gestemd. Stemmen over zaken geschiedt mondeling. 

Afdelingsvergaderingen 

Artikel 6

1.       Het Afdelingsbestuur bepaalt de plaats waar de Afdelingsvergaderingen worden gehouden.

2.       Jaarlijks worden tenminste twee Afdelingsvergaderingen gehouden.

3.       De eerste Afdelingsvergadering wordt gehouden binnen zes maanden na afloop van het verenigingsjaar, behoudens verlenging van deze termijn door de Afdelingsvergadering. In deze vergadering wordt onder meer:

a.       door het Afdelingsbestuur verslag uitgebracht over de werkzaamheden van de Afdeling in het afgelopen verenigingsjaar;

b.      door het Afdelingsbestuur onder overlegging van een resultaten rekening alsmede de overige benodigde bescheiden, rekening en verantwoording afgelegd van het in het afgelopen verenigingsjaar gevoerde financiële beleid;

c.       voorzien in bestuursvacatures. 

3.       De tweede Afdelingsvergadering wordt gehouden uiterlijk op 30 september. In deze vergadering wordt onder meer:

a.       het beleid van het komende verenigingsjaar besproken;

b.      de begroting voor het komende jaar behandeld en vastgesteld;

c.       de toeslag op de contributie voor het komende verenigingsjaar vastgesteld;

d.      de afvaardiging van de Afdeling naar de Algemene Vergadering van de Vereniging als bedoeld in artikel 19 tweede lid, van de Statuten, gekozen. 

Artikel 7

1.       Overigens worden Afdelingsvergaderingen gehouden zo dikwijls het Afdelingsbestuur dit nodig oordeelt en voorts op verzoek van tenminste drie clubs of op verzoek van tenminste twintig individuele leden.

2.       De bijeenroeping der Afdelingsvergadering geschiedt door schriftelijke mededeling aan de clubs op een termijn van tenminste zes weken. De mededeling aan de individuele leden geschiedt door bekendmaking op een termijn van uiterlijk drie weken in het door de Afdeling uitgegeven periodiek of op een andere door het Afdelingsbestuur te bepalen wijze. De aankondiging aan de clubs wordt minstens twee weken tevoren herhaald onder vermelding van de te behandelen punten en met toezending van de daarbij behorende bescheiden. De individuele leden worden in de gelegenheid gesteld de stukken in te zien op het Afdelingssecretariaat of kunnen om toezending verzoeken. In spoedeisende gevallen kan door het Afdelingsbestuur van dit voorschrift worden afgeweken.

3.       Tot een Afdelingsvergadering hebben toegang de leden die bij de Afdeling zijn ingedeeld, de leden van het Hoofdbestuur alsmede degenen die daartoe door de Afdelingsvergadering of het Afdelingsbestuur zijn uitgenodigd.

4.       Op de besluitvorming en wijze van vergaderen van de Afdelingsvergadering is het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging van toepassing.

5.       Voor verkiezing tot lid van het Afdelingsbestuur kunnen kandidaten worden gesteld door het Afdelingsbestuur, voor de bij de Afdeling ingedeelde clubs en voorts door minstens tien individuele leden, voor zover zij zijn ingedeeld bij de Afdeling. De namen van de kandidaten moeten minstens drie weken voor de Afdelingsvergadering, waarin zal worden overgegaan tot verkiezing van bestuursleden, schriftelijk worden ingediend bij het Afdelingssecretariaat onder overlegging van een door elk der kandidaten ondertekende verklaring tot bereidheid van aanvaarding van de desbetreffende functie.

6.       Voorstellen, door het bestuur van een club of tien individuele leden ten minste drie weken tevoren schriftelijk bij het Afdelingsbestuur ingediend, worden op de agenda van de Afdelingsvergadering geplaatst. Dergelijke voorstellen dienen vergezeld te gaan van een korte schriftelijke motivering . De Afdelingsvergadering kan alleen tot veranderingen besluiten van voorstellen die zijn geplaatst op de agenda indien die het gevolg zijn van amendementen, gedurende de Afdelingsvergadering op die voorstellen ingediend.

7.       Het stemrecht wordt toegepast conform de Statuten der Vereniging.

8.       Het aantal door een club uit te brengen stemmen Wordt bepaald naar de toestand, volgens de opgave van het aantal leden van het algemeen secretariaat der Vereniging, op de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de Afdelingsvergadering wordt gehouden, verminderd met het aantal stemmen van de leden der club die het stemrecht zelf uitoefenen. Teneinde verschillen in de opvatting binnen zijn club tot uitdrukking te brengen, kan degene die voor de club het stemrecht uitoefent zijn stemmen in verschillende richtingen uitbrengen.

9.       Het bestuur van een club dient voor de Afdelingsvergadering bij het Afdelingssecretariaat op te geven wie voor de club het stemrecht zal uitoefenen.

10.   Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende briefjes, blanco en ongeldige stemmen worden wel geteld maar spelen geen rol bij de uitslag. 

Commissies 

Artikel 8

Voor bijzondere taken kunnen door het Afdelingsbestuur commissies worden ingesteld, voor bijzondere taken van blijvende aard permanente commissies en voor bijzondere taken van tijdelijke aard tijdelijke commissies. De leden van deze commissies worden benoemd uit de gewone leden van de Vereniging voor zover ingedeeld bij de Afdelingen en / of functionarissen in dienst van de Vereniging. In de tijdelijke commissies kunnen ook niet-leden van de Afdeling worden benoemd. Leden van een permanente commissie hebben zitting voor een periode van ten hoogste vier jaar, zij zijn onmiddellijk eenmalig herkiesbaar. Een tijdelijke commissie kan hoogstens voor twee jaren worden ingesteld.

De commissies brengen jaarlijks verslag uit aan het Afdelingsbestuur of zoveel eerder als door dat bestuur noodzakelijk wordt geoordeeld.

De besluitvorming van commissies is onderworpen aan de goedkeuring van het Afdelingsbestuur. 

Vertegenwoordiging in commissies 

Artikel 9

1.       De vertegenwoordigers van de Afdeling in de subcommissie Zweefvliegen van de Commissie voor Sportzaken van de Vereniging worden benoemd door het Hoofdbestuur van de Vereniging op grond van een door het Afdelingsbestuur op te maken voordracht.

2.       Op grond van het Huishoudelijk Reglement wordt de vertegenwoordiger van de Vereniging in de Zweefvliegcommissie (CIVV) van de Fédération Aéronautique Internationale (FAI) en dienovereenkomstig de vertegenwoordiger van de Vereniging in de Organisation Scientifique et Technique du Vol à Voile (OSTIV), aangewezen door het Afdelingsbestuur. 

Slotbepalingen 

Voor alle gevallen, waarin dit Afdelingsreglement niet voorziet, wordt verwezen naar Statuten en Huishoudelijk Reglement van de Vereniging. Geven ook deze geen uitsluitsel dan beslist het Hoofdbestuur van de Vereniging in overleg met het Afdelingsbestuur. 

Iedere Afdelingsvergadering benoemt, bij voorkeur uit de leden van haar bestuur, afgevaardigden voor de algemene vergadering.

Leden van het Hoofdbestuur kunnen niet worden benoemd tot afgevaardigde. Een afgevaardigde kan als zodanig voor niet meer dan één afdeling optreden. 

 De algemene vergaderingen worden geleid door de voorzitter of, bij diens afwezigheid, door de vicevoorzitter. Indien ook laatstgenoemde afwezig is, wordt de vergadering geleid door het in anciënniteit als bestuurslid oudste aanwezige hoofdbestuurslid. Zijn geen hoofdbestuursleden aanwezig dan voorziet de vergadering zelf in haar leiding

Het door de voorzitter ter algemene vergadering uitgesproken oordeel, dat door de vergadering een besluit is genomen, is beslissend

 Van het ter algemene vergadering verhandelde worden notulen gehouden door de algemeen secretaris of door een door de voorzitter aangewezen persoon. Deze notulen worden in dezelfde of in de eerstvolgende algemene vergadering vastgesteld en ten blijke daarvan door de voorzitter en de secretaris van die vergadering ondertekend. 

Stemgerechtigd zijn ereleden, gewone leden, jeugdleden en buitengewone leden. Stemgerechtigde leden brengen ieder één stem uit.

Stemgerechtigde leden, die lid zijn van een aangesloten vereniging, worden geacht het bestuur van die vereniging gemachtigd te hebben, namens hen het stemrecht uit te oefenen, tenzij zij voor de vergadering op de presentielijst te kennen gegeven hebben zelf het stemrecht te willen uitoefenen.

Alle besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen.

Over onderwerpen die niet in de agenda zijn vermeld kunnen geen besluiten worden genomen. 

 

B. Medisch reglement

 

Bijlage bij het convenant tussen de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart inzake afgifte van bewijzen van bevoegdheid en medische verklaringen voor bestuurders van Zweefvliegtuigen

 

Eisen aan lichamelijke en geestelijke gesteldheid

 

Algemeen

  1. De aanvrager mag niet lijden aan een ziekte, verwonding, handicap of (bij)werking van een al dan niet voorgeschreven geneesmiddel die ertoe kan leiden dat het voor de aanvrager onmogelijk is het zweefvliegtuig veilig te besturen en/of de daaraan gekoppelde verplichtingen veilig te kunnen uitvoeren.

 

Onderzoek van het zenuwstelsel

2.       De aanvrager mag niet lijden of geleden hebben aan een aandoening die hem ongeschikt maakt om zijn functie veilig uit te oefenen, waaronder begrepen:

a.       een psychose;

b.      alcoholisme;

c.       verslaving aan psychotrope stoffen;

d.      elke stoornis van de persoonlijkheid, in het bijzonder wanneer deze zo ernstig is dat deze herhaaldelijk tot onaangepast gedrag heeft geleid;

e.       een ernstige geestelijke afwijking of neurose,

f.         

Indien de medische conclusie is dat de tekortkomingen van de aanvrager om aan de vereisten te voldoen dusdanig zijn dat deze de veilige bediening van een zweefvliegtuig niet nadelig beïnvloeden, kan de aanvrager geschikt worden verklaard.

 

Een doorgemaakte acute toxische psychose hoeft niet tot ongeschiktheidverklaring te leiden, mits de aanvrager geen blijvende schade heeft ondervonden.

 

Aanbeveling: De aanvrager mag geen vastgestelde medische voorgeschiedenis of klinische diagnose hebben van een geestelijke afwijking, stoornis van de persoonlijkheid of neurose waarvan, op basis van de medische conclusie gesteld kan worden dat het waarschijnlijk is dat binnen twee jaar na het onderzoek de aanvrager niet in staat zal zijn het zweefvliegtuig veilig te bedienen.

 

  1. De aanvrager mag niet lijden of geleden hebben aan:

a.       een progressieve of niet-progressieve ziekte aan het zenuwstelsel, waarvan de gevolgen de veilige bediening van een zweefvliegtuig nadelig zouden kunnen beïnvloeden;

b.      epilepsie;

c.       enigerlei stoornis van het bewustzijn waarvoor geen bevredigende medische verklaring is aan te geven.

 

Hoofdletsels

  1. Hoofdletsels, waarvan de gevolgen volgens medisch oordeel de veilige bediening van een zweefvliegtuig nadelig zouden kunnen beïnvloeden, hebben ongeschiktheidverklaring ten gevolge.

 

Hart en bloedvaten

  1. De aanvrager mag niet lijden aan enige aangeboren of verkregen aandoening van het hart welke de veilige bediening van een zweefvliegtuig in gevaar zou kunnen brengen. Bij een doorgemaakt acute cardiale gebeurtenis (myocardinfarct, PTCA, stent-implantatie of CABG) wordt de aanvrager ongeschikt verklaard voor zes maanden. Daarna dient de cardioloog van de aanvrager informatie te verstrekken over de belastbaarheid van de aanvrager. Er mag geen ischaemie van de hartspier aantoonbaar zijn, anders dan op de plaats van de infarcering.
  2. NYHA klasse 3 en 4 vormen een contra-indicatie voor een veilige bediening van een zweefvliegtuig.
  3. Op indicatie dient een ECG te worden gemaakt.
  4. De systolische en diastolische bloeddruk moet binnen normale grenzen liggen.
  5. De bloedvaten mogen geen functionele of structurele afwijkingen van betekenis vertonen.

 

Longen

  1. De aanvrager moet vrij zijn van (acuut optredende) functiestoornissen van de longen en van elke actieve ziekte van het longparenchym, mediastinum of de longvliezen die de ademfunctie aantasten. In daartoe aanleiding gevende gevallen moet een röntgenologisch borstonderzoek worden verricht.
  2. Uitgebreide vervormingen van de borstwand gepaard gaande met collaps van de borstkas, alsmede afwijkingen ten gevolge van chirurgisch ingrijpen, waardoor de ademfunctie zodanig is verminderd dat de veilige besturing van een zweefvliegtuig in gevaar komt, hebben ongeschiktheidverklaring ten gevolge.
  3. In geval van COPD dient een FEV-1 meting te worden uitgevoerd. Bij een uitkomst van 50% of minder dient de aanvrager ongeschikt te worden verklaard.
  4. Actieve longtuberculose heeft ongeschiktheidverklaring ten gevolge. Inactieve of genezen laesies, waarvan bekend is dat zij tuberculeus zijn, of waarvan vermoed wordt dat zij tuberculeus van oorsprong zijn, behoeven geen ongeschiktheidverklaring ten gevolge te hebben.

 

Maag en darmen

  1. Ziekten van spijsverteringsorganen en hun adnexae, gepaard gaande met een belangrijke functiestoornis van deze organen, hebben ongeschiktheidverklaring ten gevolge.
  2. De aanvrager moet volkomen vrij zijn van ingewandsbreuken welke zouden kunnen leiden tot ongeschiktheid gedurende de vlucht.
  3. Elke afwijking ten gevolge van een ziekte of een chirurgische ingreep in enig deel van het spijsverteringskanaal of zijn adnexae, die zou kunnen leiden tot plotselinge ongeschiktheid gedurende de vlucht, in het bijzonder elke obstructie door structuur of druk, heeft ongeschiktheidverklaring ten gevolge.

 

Operaties

  1. De aanvrager die een abdominale operatie heeft ondergaan wordt de eerste drie maanden na de operatie ongeschikt verklaard. Deze ongeschiktheid duurt voort totdat de geneeskundige, mede op grond van de gegevens omtrent de bijzonderheden van de operatie, oordeelt, dat de gevolgen van de operatie geen plotselinge ongeschiktheid tijdens de vlucht zullen veroorzaken.

 

Metabole en endocriene systeem

  1. Stofwisselings-, voedings- of hormonale stoornissen, die de veilige bediening van een zweefvliegtuig nadelig zouden kunnen beïnvloeden, leiden tot ongeschiktheidverklaring.
  2. Suikerziekte welke zonder gebruikmaking van antidiabetische medicatie goed reguleerbaar is, vormt geen reden voor ongeschiktheidverklaring. Het gebruik van antidiabetische medicatie is niet toegestaan, met uitzondering van die orale antidiabetica die te verenigen zijn met een veilige bediening van een zweefvliegtuig en die onder gericht medisch toezicht zullen worden toegepast. Indien de aanvrager een goede instelling heeft op de orale antidiabetica en zich bewust is van de risico’s van hypoglycaemie en weet hoe te handelen in dergelijke gevallen kan de aanvrager geschikt worden verklaard. Hij dient dan wel een verklaring van zijn behandelend arts te kunnen overleggen dat de diabetes goed is gereguleerd en de toestand van de aanvrager stabiel is.
  3. Ernstige of matige vergroting van de milt, waarbij deze onder de ribbenboog uitsteekt, plaatselijke en algemene lymfeklierzwellingen van betekenis alsmede bloedziekten hebben ongeschiktheidverklaring ten gevolge, tenzij deze de veilige bediening van een zweefvliegtuig niet nadelig zullen beïnvloeden. Zijn deze aandoeningen van voorbijgaande aard dan kan de aanvrager tijdelijk ongeschikt worden verklaard.

Aanbeveling Sikkelcelanaemie is geen reden voor ongeschiktheidverklaring tenzij er positief medisch bewijs is voor het tegendeel.

 

Urinewegen

  1. Elk verschijnsel van een organische ziekte van de nieren, geslachtsorganen of urinewegen, welke de veilige bediening van een zweefvliegtuig nadelig zou kunnen beïnvloeden, leidt tot ongeschiktheidverklaring. Zijn deze ziekten van voorbijgaande aard dan kan de aanvrager tijdelijk ongeschikt worden verklaard.
  2. Elke afwijking tengevolge van een ziekte of chirurgisch ingrijpen van de nieren en van de urinewegen, die zou kunnen leiden tot plotselinge ongeschiktheid gedurende de vlucht, in het bijzonder elke obstructie door strictuur of druk heeft ongeschiktheidverklaring ten gevolge. Gecompenseerde nephrectomie zonder hypertensie of uraemie behoeft geen ongeschiktheidverklaring ten gevolge te hebben.
  3. Bij recente koliekaanvallen moet worden aangetoond dat er geen stenen meer aanwezig zijn of dat er geen verhoogd risico bestaat dat deze leiden tot plotselinge ongeschiktheid tijdens de vlucht (navragen bij behandelend arts).

 

Zwangerschap

  1. Bij een ongecompliceerde zwangerschap is zweefvliegen in het eerste en tweede trimester toegestaan.

 

Orthopedie

  1. Elke orthopedische aandoening of afwijking welke de veilige bediening van een zweefvliegtuig nadelig zou kunnen beïnvloeden, leidt tot ongeschiktheidverklaring.

 

Keel/neus/oren

26.   Redenen tot ongeschiktheidverklaring zijn:

a.       actieve pathologische processen van het binnenoor of middenoor, acuut of chronisch, waardoor de aanvrager zijn functie niet veilig kan uitoefenen;

b.      blijvend ondoorgankelijke buizen van Eustachius;

c.       blijvende aandoeningen van het vestibulair apparaat; aandoeningen van voorbijgaande aard hebben ten gevolge dat de aanvrager tijdelijk ongeschikt wordt verklaard;

d.      een verminderd gehoor hoeft niet tot ongeschiktheid te leiden. De aanvrager moet in een rustige omgeving, beide oren gebruikend, een normaal gesprek kunnen verstaan op een afstand van twee meter van de onderzoeker.

27.   De luchtpassage door de neus moet ongestoord zijn. Belangrijke misvormingen, alsmede ernstige, acute of chronische aandoeningen van de mondholte of van de bovenste luchtwegen die de ademhaling belemmeren, hebben ongeschiktheidverklaring ten gevolge.

 

Gezichtsvermogen

  1. Een actieve, acute of chronische pathologische toestand van een of beide ogen of van de adnexae, waardoor het functioneren in zulk een mate zou kunnen worden belemmerd, dat de veiligheid tijdens de vlucht in gevaar zou kunnen worden gebracht heeft ongeschiktheidverklaring ten gevolge.
  2. De aanvrager moet een normaal blik- en gezichtsveld hebben.
  3. De aanvrager moet een gezichtsscherpte in de verte hebben van ten minste 6/12 op elk oog afzonderlijk met of zonder correctie en van ten minste 6/9 met beide ogen met of zonder correctie. Er gelden geen beperkingen voor ongecorrigeerde gezichtsscherpte. Indien de vereiste gezichtsscherpte slechts verkregen kan worden met behulp van corrigerende lenzen, dan kan de aanvrager geschikt worden verklaard mits:

a.       deze corrigerende lenzen gedragen worden tijdens de uitoefening van zijn functie; en

b.      er aanvullend een passende bril met corrigerende glazen bij de hand wordt gehouden tijdens de uitoefening van zijn functie.

                  Noot: bij twijfel dient een verklaring van de oogarts te worden overlegd.

Zowel ongecorrigeerde als gecorrigeerde gezichtsscherpte worden normaal gemeten en vastgelegd bij elke herkeuring. Omstandigheden die een noodzaak voor een verklaring van de oogarts met zich meebrengen zijn: een wezenlijke afname in de ongecorrigeerde gezichtsscherpte, elke afname in de beste gecorrigeerde gezichtsscherpte en het ontstaan van een oogziekte, oogletsel of het ondergaan van een oogoperatie.


 
  1. De aanvrager mag contactlenzen dragen om aan de vereiste gezichtsscherpte te voldoen mits:
    1. de lenzen monofocaal en niet-getint zijn;
    2. de lenzen goed verdragen worden;
    3. een passende bril met voldoende corrigerende glazen bij de hand wordt gehouden gedurende de uitoefening van zijn functie.

Noot: aanvragers die contactlenzen dragen hoeven niet bij elke herkeuring hun ongecorrigeerde gezichtsscherpte te laten meten mits de geschiedenis van het contactlensvoorschrift bekend is bij de keurend arts.

  1. Amblyopie en één-ogigheid leiden tot ongeschiktheidverklaring, tenzij de aanvrager middels een vliegtest kan aantonen dat hij over voldoende gezichtsvermogen beschikt. De gezichtsscherpte van het (niet-amblyope) oog moet ten minste 6/9 bedragen met of zonder correctie.
  2. De aanvrager die een operatie heeft ondergaan die de refractiestatus van het oog aantast, dient voor drie maanden ongeschikt te worden verklaard. Daarna dient de aanvrager opnieuw te worden gekeurd.


 

C.  Examenreglement

 

EXAMENREGLEMENT

Zweefvliegbewijs

Glider Pilot Licence (GPL)

 

De voorzitter van de KNVvL, 

besluit in het kader van het KEI (KNVvL Examinering Instituut) dat het volgende examenreglement door de KNVvL is vastgesteld en in werking is getreden op 1 oktober 2004. 

Den Haag, 

F.Brink (voorzitter KNVvL) 

Examenreglement

Zweefvliegbewijs

Glider Pilot Licence (GPL) 

Artikel 1        Algemeen 

1.1       De examencommissie voor zweefvliegen heeft tot taak te onderzoeken of kandidaten  beschikken over voldoende praktische bedrevenheid en voldoende ervaring voor het verkrijgen van het GPL en bevoegdverklaringen daarin. 

1.2       De examencommissie is samengesteld uit twee subcommissies, waarvan de eerste is belast met de examens voor het GPL en de bevoegdverklaringen lieren, slepen en zelfstart, en de tweede is belast met de examens voor de bevoegdverklaringen vliegonderricht (VO), alsmede de standaardisatie van normen ten behoeve van het afnemen van deze examens. 

1.3       De examencommissie wordt vertegenwoordigd door de voorzitter van de commissie of, bij diens afwezigheid, door de vice-voorzitter. De voorzitter heeft als bijzondere taak het onderhouden van alle contacten met de voorzitter van de KNVvL of een door hem aan te wijzen plaatsvervanger

 

Artikel 2        Organisatie van de commissie

 

2.1       Voor de benoeming van de examencommissie door de voorzitter van de KNVvL worden voor beide subcommissies afzonderlijke voordrachten opgesteld door de commissie instructie en veiligheid van de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen. Een persoon kan tot lid van beide subcommissies worden benoemd. 

2.2       De examencommissie adviseert de voorzitter van de KNVvL met betrekking tot de voordrachten van personen voor de benoeming tot lid, voorzitter en vice-voorzitter van de examencommissie.

 

2.3       Bij het advies voor de voordracht tot benoeming tot lid van een van de subcommissies van de examencommissie wordt voor iedere persoon aangegeven voor welke examens of voor welke onderdelen van deze examens het advies geldt. 

2.4       Bij haar advies tot benoeming van een persoon tot lid van een van beide subcommissies voor het afnemen van theorie-examens voor het GPL en bevoegdverklaring vliegonderricht (VO) houdt de examencommissie er rekening mee dat daartoe bij voorkeur een persoon wordt benoemd, die:

  • Zelf in het bezit is van de bevoegdverklaring, waarvoor het examen is bedoeld.
  • Een meer dan gebruikelijke affiniteit tot de theorie voor de betreffende bevoegdverklaring bezit.
  • Te goeder naam en faam bekend staat als deskundige. 

2.5       Bij haar advies tot benoeming van een persoon tot lid van de subcommissie voor het afnemen van praktijkexamens voor het GPL en de bevoegdverklaringen lieren, slepen en zelfstart in het GPL, houdt de examencommissie er rekening mee, dat daartoe bij voorkeur een persoon wordt benoemd, die:

  • Een actief zweefvlieger is.
  • Meer dan drie jaar in het bezit is van die bevoegdverklaring vliegonderricht (VO) voor de bevoegdverklaring waarvoor hij examen afneemt.
  • Te goeder naam en faam bekend staat als zweefvlieger. 

2.6       Bij haar advies tot benoeming van een persoon tot lid van de subcommissie voor het afnemen van praktijkexamens voor de bevoegdverklaringen vliegonderricht (VO) in het GPL houdt de examencommissie er rekening mee, dat daartoe bij voorkeur een persoon wordt benoemd, die:

  • Een actief zweefvlieger is,
  • Minimaal 6 jaar in het bezit is van de bevoegdverklaringen waarvoor men examen afneemt.
  • Een meer dan gebruikelijke affiniteit tot de opleiding van vliegonderricht (VO) bezit, hetgeen moet blijken uit het vervuld hebben van de mentorfunctie bij de succesvolle opleiding van ten minste drie instructeurs.
  • Te goeder naam en faam bekend staat als zweefvlieginstructeur. 

2.7       De voorzitter kan tijdelijk of permanent een of meer commissieleden belasten met de verantwoordelijkheid voor bepaalde deeltaken binnen de commissie of de subcommissies. 

2.8       Door de KNVvL-Afdeling Zweefvliegen wordt voorzien in een secretaris. De secretaris verricht de secretariële werkzaamheden ten behoeve van de examencommissie. 

2.9       Voor zover leden van de examencommissie zijn betrokken bij de opleiding voor het behalen van bevoegdverklaringen in het GPL worden kandidaten aan de opleiding van wie zij in belangrijke mate hebben bijgedragen niet door hen geëxamineerd.

 

Artikel 3        Organisatie van de theorie-examens

 3.1       De theorie-examens voor het bewijs van bevoegdheid GPL en de bevoegdverklaringen in het GPL zijn, afhankelijk van het examenvak en de bevoegdverklaring, schriftelijk en mondeling, of uitsluitend mondeling.

 

3.2       In bijzondere gevallen kan de voorzitter bepalen uitsluitend mondeling te examineren. 

3.3       Bij gemengde examens geldt, dat onder zekere voorwaarden, zoals beschreven in artikel 10, met betrekking tot het resultaat van het schriftelijk deel, het mondelinge deel kan komen te vervallen. De tijd tussen het afleggen van het schriftelijke examen en het eventueel af te leggen mondeling examen bedraagt maximaal 6 weken. 

3.4       Van theorie-examens die uit meer examenvakken bestaan kunnen deze examenvakken apart worden geëxamineerd. Bij een voldoende resultaat voor één van deze vakken wordt aan de kandidaat een certificaat uitgereikt. De kandidaat is voor het gehele theorie-examen geslaagd indien hij binnen de daarvoor gestelde termijn certificaten heeft verworven voor alle vakken van het betreffende examen. 

3.5       Voor de organisatie van de theorie-examens worden bij verenigingen of opleidingsinstituten op hun verzoek door de voorzitter leden van de examencommissie voor een van tevoren overeengekomen periode als coördinator benoemd. Deze coördinatoren houden namens hun vereniging of instituut contact met de voorzitter van de examencommissie, schrijven in zijn naam certificaten uit en coördineren de theorie-examens binnen hun vereniging of instituut. 

3.6       De coördinator nodigt tijdig een voldoende aantal leden van de examencommissie uit voor het opstellen van de examenvragen, het uitoefenen van toezicht tijdens het schriftelijke gedeelte en het afnemen van de mondelinge examens. De coördinator houdt hierbij rekening met de bepaling in artikel 2.9. . 

3.7       De examenopgaven worden gesteld over een zo groot mogelijk gedeelte van de in de exameneisen vervatte leerstof, opdat een zo goed mogelijk beeld wordt verkregen van de kennis van de kandidaat. Examinatoren maken voor het opstellen van de vragen zoveel mogelijk gebruik van de voor het betreffende examen aanbevolen literatuur. 

3.8       De opgestelde examenopgaven worden door de opsteller zo spoedig mogelijk aan de coördinator voor het betreffende theorie-examen ter hand gesteld of toegezonden. Deze stelt de opgaven na overleg met de opstellers vast en zorgt voor de vermenigvuldiging ervan. 

3.9       Voor ieder af te nemen theorie-examen draagt de coördinator zorg voor het beschikbaar zijn van de benodigde examenruimte en de examenmaterialen. Voor de aanvang van een examen is hij verantwoordelijk voor de controle op het geschikt zijn van de examenruimte. 

3.10      Bij het schriftelijk gedeelte van het examen zijn in elk lokaal ten minste twee leden van de examencommissie aanwezig voor het houden van toezicht. 

3.11      Uiterlijk 10 minuten voor aanvang van het schriftelijke examen vervoegt de kandidaat zich bij de toezichthoudende examinator(en). 

3.12      Bij het examen moeten kandidaten zich kunnen identificeren met een algemeen gebruikelijk identiteitsbewijs, voorzien van een goedgelijkende foto. De personalia van de kandidaat worden verwerkt op het examenuitslagformulier. 

3.13      De examenopgaven worden voorafgaande aan het begin van het schriftelijke examen door de coördinator aan de aan het toezicht deelnemende examinator(en) overhandigd om uit te delen aan de kandidaten. 

3.14      De kandidaten beantwoorden de opgaven uitsluitend op daarvoor aan hen uitgereikt papier. Al het uitgereikte papier wordt na afloop van het schriftelijke examen ingenomen. De kandidaten mogen op hun tafel slechts die zaken hebben, welke door de toezichthoudende examinator(en) als noodzakelijk worden geacht. Uitlenen van hierboven bedoelde noodzakelijke zaken zonder toestemming van de examinator(en) is niet toegestaan. 

3.15      Gedurende het examen mogen kandidaten het lokaal niet verlaten, niet met elkaar spreken en het werk van elkaar niet inzien. Als dat toch gebeurt, leidt dit tot het direct inleveren van het examenwerk en verdere uitsluiting van het examen. 

3.16      Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het schriftelijke deel van een examen wordt het schriftelijke werk door bij voorkeur twee examinatoren nagekeken en beoordeeld. Daarna bericht de coördinator aan de kandidaten voor welk(e) vak(ken) men is geslaagd en, indien van toepassing, voor welk(e) vak(ken) nog een mondeling examen moet worden afgelegd. 

3.17      Wanneer meer mondelinge examens gelijktijdig worden afgenomen, zorgt de coördinator ervoor dat de opstelling van de tafels zodanig is dat de examens geen hinder van elkaar ondervinden. 

3.18      Na afloop van het mondeling deel van het examen stelt de coördinator in overleg met de aan de examinering deelnemende leden van de examencommissie het eindresultaat per examenvak voor iedere kandidaat vast en deelt dit aan de kandidaat mede. Als bewijs van een voldoende resultaat schrijft de coördinator in naam van de voorzitter van de examencommissie ter plaatse de door de kandidaat behaalde certificaten uit. Deze certificaten worden mede ondertekend door de betreffende examinator. 

3.19      Om het ter plaatse uitschrijven van de certificaten mogelijk te maken, doet de coördinator ruim vóór het examen opgave aan het secretariaat van het verwachte aantal deelnemende kandidaten. Het secretariaat zorgt op basis van deze opgave voor een tijdige toezending van een voldoende aantal blanco certificaten. 

3.20      Na afloop van het examen is de coördinator verantwoordelijk voor toezending aan het secretariaat van de niet uitgeschreven certificaten, samen met

-           Het beoordeelde examenwerk.

-           Een overzichtlijst van de deelnemende examinatoren.

-           Een volledig stel vragen.

-           Een ingevuld examenuitslagformulier met daarop de uitslag van het examen per kandidaat en de aanduiding of een certificaat is uitgeschreven en uitgereikt.

Al deze bescheiden worden door toedoen van het secretariaat minimaal 5 jaren zorgvuldig bewaard. 

3.21      Na afloop van het examen mogen de kandidaten de opgaven voor het schriftelijk deel van het theorie-examen houden.

 

Artikel 4        Praktijkexamens voor het GPL en de bevoegdverklaringen lieren en slepen 

4.1       Voor de organisatie van de praktijkexamens voor het GPL en de bevoegdverklaringen lieren en slepen worden bij verenigingen of opleidingsinstituten op hun verzoek door de voorzitter leden van de examencommissie voor een van tevoren overeengekomen periode als coördinator benoemd. Deze coördinatoren houden namens hun vereniging of opleidingsinstituut contact met de voorzitter van de examencommissie, schrijven in zijn naam certificaten uit en coördineren de praktijkexamens afgenomen binnen hun vereniging of opleidingsinstituut. 

4.2       De coördinator nodigt voor de praktijkexamens voor het GPL en de bevoegdverklaringen lieren en slepen van kandidaten die nog niet in het bezit zijn van het GPL, per volledig praktijkexamen bij voorkeur twee leden van de examencommissie uit voor het afnemen van het examen.

 

4.3       Voor het afnemen van examens voor de aanvullende bevoegdverklaringen lieren, slepen en zelfstart nodigt de coördinator één lid van de examencommissie uit. 

4.4       Na gunstige afloop van het praktijkexamen vult de examinator een examenuitslagformulier in. De examinator ondertekent het examenformulier. Het examenformulier wordt hierna, namens de voorzitter, door de coördinator ondertekend, nadat hij zich aan de hand van het logboek, de certificaten en de eventuele vrijstellingen er van heeft overtuigd dat aan alle voorwaarden is voldaan. .

4.5       De coördinator doet opgave van ieder door hem uitgeschreven certificaat aan het secretariaat, waar deze bescheiden minimaal vijf jaar zorgvuldig worden bewaard. 

4.6.      Het KEI is gerechtigd tot maximaal 1 jaar na het behalen van een bevoegdheid de logboeken, certificaten en vrijstellingen bij de eigenaar op te vragen. Na de steekproefsgewijze controle zullen de opgevraagde bescheiden aan de eigenaar worden teruggezonden. De eigenaar dient er derhalve zorg voor te dragen dat de bewijzen tot minimaal 1 jaar na het behalen van de betreffende bevoegdheid bewaard worden.

 

Artikel 5        Praktijkexamens voor de bevoegdverklaring vliegonderricht (VO) 

5.1       Voor de organisatie van de praktijkexamens voor het behalen van de bevoegdverklaring vliegonderricht (VO) wordt door de voorzitter voor een van tevoren overeengekomen periode een coördinator benoemd. Deze houdt contact met de voorzitter van de examencommissie, coördineert de praktijkexamens en schrijft in naam van de voorzitter de op de praktijkexamens betrekking hebbende certificaten uit. 

5.2       De coördinator voor de praktijkexamens voor de bevoegdverklaring vliegonderricht (VO) nodigt per praktijkexamen ten minste één examinator uit. De examinator bepaalt in overleg met de kandidaat de plaats en de datum voor het examen. 

5.3       Na afloop van een praktijkexamen voor een bevoegdverklaring vliegonderricht (VO) vult de examinator een examenuitslagformulier in. Dit ondertekende examenuitslagformulier wordt door één van de examinatoren naar de coördinator gestuurd, die op grond daarvan in naam van de voorzitter van de examencommissie een certificaat voor het betreffende examen uitschrijft en toezendt aan de kandidaat. 

5.4       De coördinator doet opgave van ieder door hem uitgeschreven certificaat aan het secretariaat.

 

Artikel 6        Verplichtingen van kandidaten van praktijkexamens 

6.1       Kandidaten voor een praktijkexamen kunnen dit slechts afleggen, nadat zij het volledige theorie-examen met goed gevolg hebben afgelegd en aan de ervaringseisen voor het GPL respectievelijk de betreffende bevoegdverklaring voldoen. 

6.2       Bij ieder examen moeten kandidaten zich kunnen identificeren door middel van een landelijk erkend identiteitsbewijs (rijbewijs, paspoort). De personalia van de betrokken kandidaat worden verwerkt op uitslagformulieren dan wel certificaten. 

6.3       Voor ieder af te nemen praktijkexamen draagt de kandidaat in overleg met de aangewezen examinatoren zorg voor:

  • Toegang en opvang van de examinatoren op het te gebruiken terrein.
  • De aanwezigheid van het voor het examen benodigde materiaal.
  • De aanwezigheid van een voor het examen geschikt vliegbedrijf.

 

Artikel 7        Geldigheid theoriecertificaten

7.1       Binnen een periode van 48 maanden moeten alle benodigde certificaten voor het theorie en praktijkexamen zijn behaald om in aanmerking te komen voor het GPL.

 

Artikel 8        Theorie-examens 

8.1       De theorie-examens omvatten de vakken, omschreven in bijlage 1 bij deze regeling. 

8.2       Op de betreffende bijlage is tevens voor elk vak aangegeven wat de tijdsduur is van zowel het schriftelijk als het mondeling examengedeelte.

 

Artikel 9        Praktijkexamens 

9.1       Praktijkexamens omvatten de groepen of onderdelen, die zijn vermeld in bijlage 2a, b en c bij deze regeling. 

9.2       De tijdsduur van een mondeling examen als onderdeel van een praktijkexamen is ter beoordeling van de examinator(en) met een minimum- en een maximumduur, zoals vermeld in bijlage 1 bij deze regeling. 

9.3       Een kandidaat is geslaagd voor een praktijkexamen zodra alle van toepassing zijnde groepen en onderdelen van het examen afgelegd en als voldoende beoordeeld zijn.

 

Artikel 10      Beoordeling theorie-examens 

10.1      Kandidaten voor het GPL worden afgewezen, wanneer bij het schriftelijke examen 40% van de te behalen punten of lager wordt behaald. 

10.2      Kandidaten voor het VO worden afgewezen, wanneer bij het schriftelijke examen 50% van de te behalen punten of lager wordt behaald. 

10.3      Kandidaten voor het GPL die bij het schriftelijke examen meer dan 40%, maar minder dan 70% van de te behalen punten per vak behalen, kunnen in het betreffende vak een mondeling examen afleggen. Het eindoordeel van het mondelinge gedeelte vormt tevens het eindoordeel over het betreffende vak. 

10.4      Kandidaten voor het  VO  die bij het schriftelijke examen meer dan 50%, maar minder dan 70% van de te behalen punten per vak behalen, kunnen in het betreffende vak een mondeling examen afleggen. Het eindoordeel van het mondelinge gedeelte vormt tevens het eindoordeel over het betreffende vak. 

10.5      Kandidaten, die bij het schriftelijke examen 70% of meer van de te behalen punten behalen, zijn geslaagd voor dat vak.

Bijlagen behorende tot het examenreglement voor het GPL

Bijlage 1a bij het examenreglement zweefvliegen 

In de volgende tabel zijn de examenvakken voor de theorie van het GPL aangegeven en de duur van het examen per vak.

Examenvak

examenduur

Zweefvliegen

schriftelijk

mondeling

Voorschriften

30 minuten

15 minuten

Meteorologie

30 minuten

15 minuten

Instrumenten

30 minuten

15 minuten

zweefvliegtuigen

45 minuten

15 minuten

Menselijke factoren

30 minuten

15 minuten

Navigatie

---

30 minuten

In de volgende tabel zijn de examenvakken voor de theorie van het vlieg onderricht (VO ) aangegeven en de duur van het examen per vak.

Zweefvlieginstructeur

 

 

Voorschriften

30 minuten

20 minuten

Meteorologie

45 minuten

20 minuten

Constructie/dagelijks toezicht

30 minuten

20 minuten

Aerodynamica

45 minuten

20 minuten

Instrumenten

30 minuten

20 minuten

Menselijke Factoren

30minuten

20 minuten

In de volgende tabel is de duur van het mondelinge examen als onderdeel van het praktijkexamen per bevoegdheid aangegeven.

Bevoegdverklaring

examenduur

 

 

minimaal

maximaal

Lieren

10 minuten

20 minuten

Slepen

10 minuten

20 minuten

Zelfstart

10 minuten

20 minuten

Bijlage 1b bij het examenreglement zweefvliegen   

Ontheffingen van het theorie-examen: Kandidaten die zweefvliegtechnicus zijn of over een hieronder genoemd vliegbrevet beschikken, kunnen voor de volgende onderdelen ontheffing van het theorie-examen krijgen.  

 

GPL

VO

Zweefvliegtechnicus

Vliegtuigen

Instrumenten

Constructie

Aerodynamica

ATPL, CPL, PPL of RPL

Groot militair brevet,

Marine brevet

Meteo

Instrumenten

Voorschriften

Navigatie

Meteo

Instrumenten

 

 

 

De bevoegdheid, op basis waarvan een ontheffing verleend kan worden, dient op het moment van aanvraag geldig te zijn.

 Bijlage 2a bij het Examenreglement zweefvliegen

Onderdelen van het praktijk examen voor de bevoegdverklaringen lieren, sleepvliegen of zelfstart in het GPL

1. Check geldige theoriecertificaten / zweefvliegbewijs (GPL of RPL(G))

  • certificaten voor de 5 vakken van het theorie-examen zweefvliegen niet ouder dan 48 maanden
  • geldig zweefvliegbewijs of zweefvliegbewijs(GPL of RPL(G)), dat niet langer verlopen is dan 36 maanden

 2. Check ervaringseisen

  • ten minste 40 solovluchten met een totale duur van 6 uur (of voor houders van een PPL-A (TMG) ten minste 20 solovluchten met een zweefvliegtuig)
  • een goedgekeurde serie van 5 doellandingen
  • lieren: 10 solo lierstarts waarbij ten minste de normale circuithoogte werd bereikt
  • slepen: 5 solo sleepstarts met een gezamenlijke sleeptijd van tenminste 30 minuten
  • zelfstart: 5 solo zelfstarts waarbij tenminste de normale circuithoogte werd bereikt

3. Praktijk examen:

  • voldoende mondeling examen van de 'theorie van de praktijk' (niet uitsluitend betrekking hebbend op de voorbereiding van de examenvluchten)
  • Voldoende uitvoering van 1* of 3 examenvluchten samengesteld uit oefeningen uit de volgende groepen:

o        GROEP 1: Voorbereiding van de vlucht

o        GROEP 2: Start en stijgvlucht

o        GROEP 3: Vrije vlucht

o        GROEP 4. Circuit, eindnadering en landing

o        GROEP 5: Noodprocedures (voor LIEREN en SLEPEN)

* Bij kandidaten in het bezit van een bevoegdverklaring LIEREN  kan voor de bevoegdverklaring SLEPEN worden volstaan met de hierna gespecificeerde speciale sleepexamenvlucht.

* Bij kandidaten in het bezit van een bevoegdverklaring LIEREN  en of SLEPEN kan voor de bevoegdverklaring zelfstart worden volstaan met de hierna gespecificeerde speciale zelfstartexamenvlucht.

Een overzicht van de oefeningen in de Groepen 1 t/m 5 is in de bijlage 2c nader gespecificeerd.

De examinator maakt voor iedere examenvlucht een zodanige keuze uit de volgende oefeningen dat deze, voor zover mogelijk, ten minste eenmaal worden beoordeeld:

a. voor kandidaten zonder een eerder behaalde bevoegdverklaring:

  • een serie wisselbochten met een dwarshelling groter dan 30°
  • een asymmetrische overtrek
  • een slipvlucht
  • een zijwindlanding*

*: Indien een van deze oefeningen bij geen van de examenvluchten praktisch mogelijk is, kan de oefening toch worden afgetekend door de examinator als deze zich er van vergewist heeft, dat de kandidaat de oefening tijdens zijn opleiding in voldoende mate beoefend heeft.

b. voor kandidaten voor een bevoegdverklaring slepen een speciale examensleepvlucht bestaande uit de volgende onderdelen:

  • een daalvlucht achter het sleepvliegtuig vanaf ten minste 150 m AGL tot vlak boven de grond
  • een voortzetting van dezelfde sleepvlucht tot ten minste 500 m AGL

 c. voor kandidaten voor een bevoegdverklaring LIEREN die reeds eerder een bevoegdverklaring SLEPEN of Motor Zweef Vliegtuig verkregen:

  • een (gesimuleerde) kabelbreuk beneden 150 m AGL

 d. voor kandidaten voor een bevoegdverklaring zelfstart die reeds eerder een bevoegdverklaring SLEPEN of LIEREN verkregen:

  • een zelfstart onder toezicht van een examinator
  • aantonen over voldoende inzicht te beschikken over de gevaren van zelfstartmethode.

Voor kandidaten die in het bezit zijn van een vliegbewijs voor de besturing van een gemotoriseerd vliegtuig ( RPL/PPL - SEP,TMG,MLA) dan wel een CPL geldt een vrijstelling van de examinering voor zelfstart.

N.B. Een kandidaat is alleen dan geslaagd voor het praktijkexamen, wanneer hij voor elk van de groepen oefeningen en voor elk van de voor hem van toepassing zijnde (hierboven nader gespecificeerde) speciale oefeningen een voldoende beoordeling krijgt.
 

Bijlage 2b bij het examenreglement zweefvliegen

Onderdelen van het praktijkexamen voor de bevoegdverklaringen vliegonderricht VO(G), VO(L) en VO(S) in het GPL

1. Check geldige theoriecertificaten en zweefvliegbewijs (GPL)

  • certificaten voor de 5 vakken van het theorie examen vliegonderricht niet ouder dan 48 maanden of een zweefvliegbewijs (GPL)
  • met bevoegdverklaringen VO(G), VO(L) en VO(S) die niet langer verlopen zijn dan 36 maanden
  • geldig GPL

2. Check ervaringseisen

  • vliegervaring van ten minste 500 starts of 75 uur op zweefvliegtuigen

(Voor toelating tot het praktijkexamen is vereist dat de kandidaat aan deze ervaringseis voldoet)

3. Praktijk examen:

  • examen tijdens een zweefvliegbedrijf, waarbij de kandidaat in de praktijk demonstreert dat hij:

(1)   op voldoende wijze in staat is leiding te geven aan leerlingen. Beoordeeld hierbij worden in het bijzonder een keuze uit de aspecten genoemd in de hierna gespecificeerde groep 7: Algemene leiding

(2)   op voldoende wijze in woord en daad (voor zover voor de beoogde bevoegdverklaring VO(G), VO(L) of VO(S) van toepassing) naar behoren vliegonderricht kan geven in de oefeningen van de groepen 1 t/m 5, voor zover die voor de overeenkomende bevoegdverklaringen LIEREN of SLEPEN nodig zijn. Beoordeeld hierbij wordt in het bijzonder een keuze uit de aspecten genoemd in de hierna gespecificeerde groep 8: Instructie

 Bijlage 2c bij het Examenreglement zweefvliegen

Specificatie van de groepen van oefeningen en aandachtspunten

 GROEP 1: Voorbereiding van de vlucht

  • Vluchtvoorbereiding
  • Kennis van het vliegtuig
  • Gewicht en zwaartepunt
  • Dagelijkse inspectie
  • Controles voor de start
  • Vliegerschap*

 Groep 2: Start en stijgvlucht

  • Aanrollen en loskomen
  • Stijgvlucht
  • Klimmende en dalende bochten
  • Overgang stijgvlucht in horizontale vlucht
  • Ontkoppelen
  • Controles aan het einde van de stijgvlucht
  • Vliegerschap*

 GROEP 3: Vrije vlucht 

  • Uitkijken
  • Normale rechtlijnige vlucht
  • Normale bochten
  • Steile bochten
  • Wisselbochten met een dwarshelling groter dan 30
  • Slipvlucht
  • Overtrekken in rechtlijnige vlucht
  • Inleiding tolvlucht uit rechtlijnige vlucht
  • Inleiding tolvlucht uit bocht (= Asymmetrische overtrek)
  • Invoegen bij thermiekvliegen
  • Vliegerschap*

 GROEP 4: Circuit, eindnadering en landing

  • Circuitplanning
  • Aansluiten op het circuit
  • Checks tijdens het circuit
  • Snelheden en kleppen op het circuit
  • Eindnadering met kleppen
  • Eindnadering met slippen
  • Afronden, afvangen en uitrollen
  • Landing met zijwind
  • Doellanding
  • Vliegerschap*

 GROEP 5a: Noodprocedures (LIEREN/SLEPEN)

  • Kabelbreuk
  • Daalsleep
  • Herstel uit abnormale vliegstanden
  • Vliegerschap*

 Groep 7: Algemene leiding

  • Toezicht materieel
  • Algemene zorg voor de veiligheid
  • Verdeling van werkzaamheden
  • Overwicht
  • Optreden bij afwijkingen van de procedures
  • Optreden bij calamiteiten
  • Vliegerschap*

  Groep 8: Instructie

  • Ervaringbeoordeling leerling
  • Aanpassing aan de leerling
  • Instructie van de oefeningen
  • Briefing voor de vlucht
  • Demonstratie van de oefeningen
  • Reactie op oefeningen leerling
  • Nabeschouwing van de vlucht

 

* Definitie Vliegerschap :

Het geheel aan eigenschappen (kennis, instelling en vaardigheid) dat de vlieger in staat stelt om, met inachtneming van de regels en voorschriften, met zijn luchtvaartuig onder alle omstandigheden veilig te kunnen omgaan, zowel op de grond als in de lucht.