Als instructeur bepaal jij voor een groot deel hoe een zweefvliegdag verloopt. Allereerst beslis je of het vliegen doorgaat. Je zult zien dat het op sommige dagen best lastig is om een juist besluit te nemen. Vervolgens bereid je de briefing voor, spreek je het bandje voor de club in, maak je een PowerPoint met o.a. de actuele meteogegevens en ga je goed uitgerust naar de club. Een prettige, aangename, leerzame en goed geleide briefing zet de juiste toon voor de dag. Je geeft leiding, verzorgt briefings aan de solisten, houdt het vliegbedrijf in de gaten en bewaakt de veiligheid. Kortom je moet veel dingen tegelijk kunnen en bijna overal verstand van hebben. Gelukkig beschik jij al voor een groot deel over de juiste eigenschappen want anders had de club jou niet gevraagd om instructeur te worden. Het is de taak van de mentoren om jouw kennis en vaardigheid in de praktijk tijdens een vliegdag verder uit te bouwen tot het juiste niveau. Hier volgen eerst een paar didactische tips.  

Leren van andere instructeurs

De meeste didactische kennis halen instructeurs niet uit boeken, maar krijgen ze door de ervaringen die ze zelf hebben opgedaan tijdens hun zweefvliegopleiding. Tijdens de instructeuropleiding leren ze veel van hun mentoren en verder kijken ze de kunst af van de andere instructeurs.

Terugkijkend naar mijn opleiding heb ik een paar hele positieve voorbeelden meegemaakt. Ik had een instructeur die altijd de debriefing begon met dat wat goed ging. Zo van: 'De start deed je keurig. Je hield rekening met de dwarswind en stuurde netjes op. Het maken van gecoördineerde bochten ging nu al beter en aan het vliegen van een goed circuit gaan we de volgende vlucht werken'. De complimenten aan het begin van de debriefing lijken op het eerste gezicht overbodig, maar die gaven mij - na een vlucht waarin ik heus wel gemerkt had dat veel dingen nog niet goed gingen -  het vertrouwen dat ik misschien dat jaar nog wel solo zou komen. Verder heb ik veel geleerd van mijn mentor die bij de instructeursopleiding steeds meeluisterde als ik een DBO-er een briefing gaf. Hij zei dan: 'Die briefing van jou aan de leerling is wel goed, maar je kunt hem beter in blokjes verdelenAnders wordt het al gauw hutspotBij een briefing over de start maak je er drie blokjes van. Het rollen over de grond, de klim en bovenin. Vervolgens ga je elk blokje apart kort uitleggen’.

Wat een instructeur zegt kan heel lang na echoën. Ik herinner me twintig jaar later nog de instructeur die tijdens een kamp 's avonds in de kantine even bij het tafeltje kwam staan waar ik met mijn vrouw en andere aëroclubleden zat. Hij zei: 'Oh ja, dat schiet me nu te binnen, ik zat vanmiddag bij jou in de bel en jij draaide binnendoor. Mocht ik dat weer zien dan krijg je een startverbod'.

Ik vond deze korte voorstelling in de kantine heel vernederend. Het heeft me geleerd hoe het niet moet.  Ook vergeet ik nooit weer de woorden waarmee hij me waarschuwde dat ik te langzaam vloog. Hij zei: ‘Wat wil je nou? Vliegen of vallen? Als je wilt vliegen moet je de kist boven de 80 km/h houden!  Ik zal het zelf zo nooit zeggen, maar aan de andere kant moet ik toegeven dat de boodschap glashelder was.  

Doceren is doseren

Een hele uitgebreide briefing heeft weinig zin, want zo’n 70% van wat we horen vergeten we binnen een uur. Het is veel zinvoller om alleen dat korte stukje te briefen waar een DBO-er aan toe is. Hoe vertel je het zo dat het blijft hangen? De moderne presentatie-methoden hebben daar een formule voor uitgevonden. Die formule luidt: ‘Wat ik drie keer zeg, is waar’. Dit is de aanpak van het TV-journaal: Eerst komen de hoofdlijnen, dan de details en aan het eind een samenvatting. We zeggen wel eens: 'Alle goede dingen bestaan uit drieën'. Dit is zeker van toepassing op een goede zweefvliegles. Zomaar instappen en gewoon maar wat vliegen, heeft weinig nut. Het is veel leerzamer wanneer we de vliegles duidelijk opbouwen uit de drie bekende onderdelen:

    1. briefing voor de vlucht (hoofdlijnen en details)

    2. demonstratie tijdens de vlucht (praktijkuitvoering)

    3. debriefing na de vlucht (evaluatie en samenvatting)

 Zien wie het zegt

Veel van wat we horen gaat het ene oor in en het andere weer uit. Dat is een gegeven waar je over kunt treuren, maar je kunt je ook afvragen waardoor een gedeelte wél blijft hangen. Hoe komt het dat sommige instructeurs een briefing kunnen geven die je nooit weer vergeet? Welke dingen helpen om iets wel te onthouden? Hier is onderzoek naar gedaan en daaruit blijkt dat iemand onthoudt wat er gezegd wordt door de woorden die gebruikt worden, door de toon waarop iets gezegd wordt en voor een groot deel door de lichaamstaal die erbij gebruikt wordt. Gelaatsuitdrukkingen en gebaren zijn heel belangrijk. Een briefing van 'achteruit' de tweezitter, terwijl de instructeur ondertussen z'n riemen vastmaakt, is veel minder effectief dan naast de cockpit met oogcontact. Ga je naast de DBO-er zitten, dan zie je aan zijn gezicht of hij je begrijpt. Met je armen (of je duim en pink) als vleugels kun je de bewegingen van de kist goed demonstreren.  Op Terlet zag ik een instructeur met een stokje een tekening van het circuit en de landingsplaats op de grond maken. Met z'n armen gaf hij de hoek aan om duidelijk te maken op welke afstand je naast het landingsveld moet zitten om je circuit goed te vliegen. Wil je als instructeur checken of je duidelijk bent overgekomen, laat dan de DBO-er  het verhaal terugvertellen.  

Instructeurs zijn geen beroepsleraren en toch zijn de meeste zeer geschikt om les te geven. Een instructeur die laat merken dat hij geniet van zweefvliegen en instructie geven, bouwt een band op met z'n leerling. Een positieve band is de bodem voor een goede les. De DBO-er die mij na z'n vlucht vertelde dat z'n instructeur achter in de tweezitter zat te schelden op de lierman die hem er de hele dag al te laag afgooide, ervaart zo'n les als vervelend en leert weinig. 

 

 

Bouw zelfvertrouwen bij de leerling op en geef positieve kritiek

Iemand z'n zelfvertrouwen de grond in boren is niet zo'n grote kunst. Een DBO-er merkt meestal zelf wel dat hij een oefening nog niet goed beheerst. De ene leerling zal sneller vorderingen maken dan de andere. Iemand die geregeld komt vliegen, leert veel sneller en is na 20 starts al veel verder dan iemand die af en toe eens komt. Zijn opleiding staat eigenlijk stil. Zijn vluchtenaantal zegt dan ook niet zoveel. Ook speelt de leeftijd een rol. Om solo te komen kun je gemiddeld genomen de volgende stelregel hanteren: ten eerste geregeld komen en dan uitgaan van 30 lessen + 1.5 x de leeftijd. Dat is ruwweg het aantal lessen die iemand nodig heeft om solo te komen. Bij kunststof zweefvliegtuigen heb je iets meer vluchten nodig dan bij houten kisten.

Breng kritiek altijd positief. Dus niet: 'Je ving niet af!' maar: 'Je moet proberen om het vliegtuig zo lang mogelijk vlak boven de grond te laten vliegen'. Dat is opbouwend en dan leert iemand sneller. Noem bij de debriefing dus eerst de positieve dingen en pas daarna een paar punten van kritiek. Sluit positief af en noem wat de volgende keer beoefend moet worden. Vertel als het een paar vluchten wat slechter gaat, dat het heel vaak voorkomt dat de prestaties gedurende een aantal lessen wat minder gaan, omdat je verder in de opleiding steeds meer zelf moet beslissen en de aandacht over meer dingen tegelijk moet verdelen, daardoor ontstaan meer fouten. Dit is heel normaal, want door meer oefening zullen meer dingen automatisch gaan en zal er aandacht vrijkomen voor de echt moeilijke dingen zoals het landen.

Elke DBO-er is anders. Bij iemand die te overtuigd is van eigen kunnen, moet je kritisch zijn en wijzen op gevaar. Bij erg voorzichtige leerlingen moet je juist wijzen op hun goede punten en zo het zelfvertrouwen versterken.

Lesgeven bij marginale omstandigheden (slecht zicht, harde wind of turbulentie) heeft bij beginnende DBO-ers geen enkel nut en is misschien zelfs wel nadelig. Onder zulke omstandigheden les geven aan solisten in de tweezitter is juist heel leerzaam.  

Cockpitrust

Praat gedurende de vlucht niet meer dan nodig is en wees duidelijk. Zeg: 'Ik vlieg' of 'Jij hebt hem''Je voelt mijn hand nu even tegen de stuurknuppel, want ik voel even mee'. Ga fouten niet tijdens de vlucht bespreken, maar doe dit pas bij de debriefing. Wel kun je natuurlijk na een goede oefeningen even kort een compliment geven. Houd de hand altijd vlak bij de stuurknuppel en op het circuit de andere hand iets achter de kleppen. Je kunt dan altijd direct ingrijpen en je voelt meteen indien de kleppen te veel getrokken worden.

Toon interesse voor de DBO-er. Wat doet hij voor de kost? Verplaats je in hem en observeer hem tijdens de vlucht. Maakt hij een gespannen indruk, zit hij recht op z'n stoel of haaks op de dwarshelling?  

Kijken

Naar buiten kijken is heel belangrijk. Om dit van het begin af aan goed te leren, laten sommige clubs de eerste 10 starts met afgeplakte instrumenten maken. Hun ervaringen zijn positief. Neem genoegen met iets slechter vliegen en naar buiten kijken, dat is beter dan niet goed uitkijken. Wanneer onze ogen naar iets dichtbij kijken, dan zien we alles in de verte wazig. Zeg dus niet: Kijk steeds goed naar het piefje'. Als we bij slecht zicht niet bewust naar een punt op de grond of in de verte kijken, dan focussen onze ogen automatisch op 1 meter voor de kap. Met andere woorden: we zien niets in de verte. Naar buiten kijken moet een onderdeel van elke vliegles zijn. Zet een leerling een bocht in zonder uit te kijken: bevries dan de stuurknuppel!  

Positieve sfeer op de startplaats

Veel instructeurs stralen bij de briefing en op de startplaats een positieve sfeer uit. Het zweefvliegen is een mooie hobby en dat moet aan de sfeer te merken zijn. Als de instructeur het voorbeeld geeft, dan is dat van grote invloed.  

Gebruik logboek

Het logboek behoort een instructeur voor de vlucht altijd in te zien. Hoeveel starts? Recente ervaring? Wat hebben de andere instructeurs voor commentaar gegeven. Schrijf er iets leerzaams in (indien mogelijk iets positiefs) en geef aan waar de volgende keer op geoefend moet worden. Bij een goed gebruik van een logboek zal de DBO-er als hij later solo vliegt ook nauwkeurig z'n vluchten bijhouden en z'n fouten kritisch noteren, zodat hij daarvan leert. Bij een checkvlucht kun je mooi even controleren wat de solist zoal bij zijn eigen vluchten opschrijft. Noteert hij eigen fouten om daar van te leren of zijn het alleen maar kreten als: “Dalen, dalen, balen, balen”?

Instructeurs moeten over voldoende theoretische kennis beschikken. Jij hebt je theoriecertificaten gehaald. Nu is het zaak dat je de theorie geregeld herhaalt. Dat kan door bijvoorbeeld elk winterseizoen mee te werken aan de theoriecursus voor de zweefvliegers die theorie-examen willen doen voor het LAPL(S) light aircraft pilot license sailplane. Als je elk jaar een ander vak kiest, herhaal je zo voor jezelf elk jaar een gedeelte van de stof. Je zult merken dat je het meeste leert als hij iemand anders de stof uit moet leggen. 

Dan is het nu hoog tijd om naar jouw eerste oefendag te gaan, maar voor we dat doen gaan we eerst uitleggen waar tijdens het examen op gelet wordt. Dan weet jij wat je moet kennen en kunnen aan het eind van deze praktijkopleiding.


1.2  Wat moet je kennen en kunnen 

Hieronder zie je de checklist die gehanteerd wordt bij jouw praktijkexamen.  

Checklist instructeursexamen VO(G)                                                     1e  beoordeling  2e  beoordeling

1

Kennis van zaken algemeen

- achtergrond van de praktijk

- lokale regels

- (lokale) luchtruimstructuur

- kennis van calamiteitenplan (indien aanwezig in de club)

Kennis van het materieel

- gebruiksbeperkingen van de aanwezige typen vliegtuigen

- dito prestaties

- werking van het instrumentarium (ook bv. LX 5000, logger systemen)

- kennis van de inspecties (lier, kabels, chutes,

voorloopstukken , etc)

2

Leiderschap

- inzicht

- overzicht

- motiverend / sturend

- werk verdelen / delegeren

Optreden/corrigeren

- kennis van procedures bij calamiteiten

- herkenbaar aanwezig op het veld

- ingrijpen bij problemen: vliegtechnisch / meteo./

alg. organisatorisch

3

Opstellen

- veldkeuze, beoordeling weer, delegeren, inspecties

Ochtend briefing

- goed opgebouwd

- gaat ergens over

- voorbereiding van de te leveren prestaties

- geldende procedures / circuit

- meteo-informatie

- relevante waarschuwingen / NOTAM’s

- samenvatting

4

Bedrijf

- ordelijk /efficiënt

ziet de kandidaat alle starts en landingen?

- adequate vluchtopdrachten / briefings / debriefings

- zie ook 1 en 2 hierboven

5

Overlessen

- in drieën

- logisch

- theoretisch correct maar geen theoretische verhandeling

- goed taalgebruik

- aangepast aan niveau leerling

- enthousiast / vertrouwenwekkend

- afgesloten door een samenvatting

6

Beëindigen vliegbedrijf

 Checklist instructeursexamen VO(L), VO(S), VO(Zelfstart)               1e  beoordeling  2e  beoordeling 

1

Vooropleiding

Globale controle van het algemene niveau VO(G)

o.a. EVO boekje 3e druk

Controle kennis VO(G)

2

Kennis v.d. opleiding

- inzicht in de opbouw van de opleiding

3

Briefings

- op het juiste moment, juiste nadruk,opbouw en afronding

4

Vlieglessen

- briefing, demo, oefening, debriefing

- rustig, begrijpelijk, compact

- volgen verrichtingen leerling

- inschatten ervaringsniveau leerling

- aanpassen aan persoon leerling

5

Vliegstandaard van de kandidaat

6

Afwijkende gevallen

7

Voortgezette opleiding

ook prestaties, prestatievliegen , kennis van bv. LX 7000 en loggersystemen.

De kandidaat is geslaagd:

-  indien in de kolom “1e beoordeling” overal een V (voldoende) staat. Indien de examinator een O (onvoldoende) in de kolom “1e beoordeling” heeft gezet, dan dient de kandidaat dat onderdeel direct nogmaals te doen. Is de 2e beoordeling dan goed, dan komt in de kolom “2e beoordeling” ook een V te staan. In de kolom “2e beoordeling” moet dus altijd een V staan indien in de kolom “1e beoordeling” een O staat. 

De kandidaat is gezakt:

-  indien in de kolom “2e beoordeling” weer een O (onvoldoende) staat.

Natuurlijk zak je niet want we gaan er samen met jou voor zorgen dat je op het instructeursexamen de volgende punten goed onder de knie hebt. 

1) Algemene leiding en veiligheid:

Je moet in staat zijn om op een soepele wijze een veilig en efficiënt vliegbedrijf te leiden. Speel in op veranderende situaties en pas je opdrachten steeds aan bij de omstandigheden. Je moet in het belang van de veiligheid overtreders aanspreken op hun gedrag en eventueel terugzetten op de tweezitter.   

2) Instructietechniek:

Je dient heldere briefings en vluchtopdrachten te geven, aangepast aan het niveau van de leerling en aansluitend op eerdere lessen. Bekijk dus het logboekje. Jouw briefings dienen: niet te lang te zijn, een heldere opbouw te hebben, controlerende vragen te bevatten en vat de briefing even samen.  

3) Vliegervaring en kennis:

Je moet zelf soepel en veilig vliegen en je moet in staat zijn alle oefeningen volgens het instructeurshandboek te demonstreren en tegelijkertijd uitleg te geven over jouw handelingen. Je dient duidelijk boven de stof te staan. Je moet een leerling verbaal kunnen corrigeren en pas ingrijpen als dat echt nodig is. Daarbij moet je natuurlijk de veiligheid niet in gevaar brengen. 

4. Het verloop van de examendag

Het examen grondinstructeur, VO(G), neemt de meeste tijd in beslag. Tijdens de ochtendbriefing en het opstellen krijgen de examinatoren een eerste indruk van jou. Terwijl jij het bedrijf leidt observeren de examinatoren of je alles in de hand hebt, goed oplet en waar nodig ingrijpt om de veiligheid te garanderen. Daarna vragen de examinatoren om enige DBO-starts met jou te maken. Voor je dat doet draag je eerst het bedrijf over aan een andere instructeur of startleider. Vervolgens maken ze elk één of twee starts met jou waarbij de examinator voor een leerling speelt. Jij speelt dit spel mee, geeft een goede briefing, demonstratie in de lucht, laat de ‘leerling’ oefenen, grijpt in als dat nodig is en geeft na de vlucht een debriefing.  

5. Het werkboek

De examinatoren bekijken jouw werkboek, jouw logboek en controleren jouw theoriecertificaten. Zijn er minimaal 15 hele oefendagen geweest. Zijn alle oefeningen afgetekend. Heb je minimaal 30 mentorstarts gemaakt. Zijn die mentorstarts gemaakt over alle onderdelen van EVO, VVO-1 en VVO-2.

De kunstvluchten zijn facultatief, maar, indien mogelijk, moet je wel de eenvoudige kunstvluchten met een mentor oefenen. Kunstvluchten doe je natuurlijk alleen volgens de voorschriften. Dus alleen als de tweezitter daarvoor toegelaten is en dan met chute en goedgekeurde G-meter. 

Daarnaast moet je een aantal stagestarts onder begeleiding van de mentor maken. Voor de VO(S)-bevoegdheid geldt een examenvrijstellingsregeling voor VO(L)-instructeurs met meer dan 100 sleepstarts als PIC. Wel dien je minimaal 3 sleepstarts inclusief 1 daalsleep met jouw mentor te hebben gemaakt. Dit moet blijken uit een aantekening in jouw logboek en werkboek. 

6. De ochtendbriefing

De examinatoren kijken of de ochtendbriefing bij die dag en die omstandigheden past. De briefing moet duidelijk zijn en begrijpelijk voor iedereen? De briefing bevat naast de meteo-informatie bijzonderheden over de gekozen startplaats, aan welke kant komt het circuit, waarom aan die kant en hoe wordt de opstelling op de startplaats. Welk materiaal gaat mee en wie heeft welke taken en verantwoordelijkheden. Jouw briefing bevat ook elke keer aandacht voor veiligheidsaspecten, zoals petje, drinken, niet laag over de bomen, extra snelheid bij turbulentie enzovoort. Besteed ook aandacht aan eventuele nieuwkomers en hun begeleiding op het veld? Geef aandacht aan de zweefvliegers met plannen voor die dag en aan eventuele bezoekers die een introductiestart gaan maken.  

7. Het VO(G)-examen

Je dient als grondleider duidelijk aanwezig te zijn en te worden geaccepteerd door de andere zweefvliegers. Je dient de typische stof voor de grondinstructeur vanzelfsprekend te beheersen en je dient voldoende kennis te hebben van de briefings voor de DBO-instructie . Briefings aan solisten moeten duidelijk gegeven worden met een inleidend, beschrijvend en een samenvattend deel. Lange verhalen zijn uit den boze. Briefings dienen controlerende vragen te bevatten. Soms is het nodig dat je een leerling apart neemt om een oefening in detail door te praten en soms volstaat een korte opmerking voor de vlucht?. Je moet als instructeur voldoende boven de stof staan om stukken van de theorie op een natuurlijke wijze in de briefing te verwerken. Er wordt van je verwacht dat je de aanwezige elektronische instrumenten in de zweefvliegtuigen kunt bedienen en uit kunt leggen aan solisten en ZVB-ers.  Er wordt ook van uit gegaan dat je alle bij de club aanwezige vliegtuigen kunt vliegen en briefen. Elk jaar wordt er meer overland gevlogen. Er wordt van je verwacht dat je zelf ruime overland overlandervaring beschikt, zodat je goed kunt beoordelen of ZVB-ers met heel weinig overlandervaring die dag overland kunnen gaan en hun overland goed hebben voorbereid.  

Soms verloopt een vliegdag minder vlot. Je moet in staat zijn om jouw aandacht over het hele vliegbedrijf te verdelen en je moet ook onder wat druk tactvol blijven optreden. 

Bij het opstarten van het vliegbedrijf wordt gekeken of je in staat bent om de diverse taken en werkzaamheden bij het opstellen goed en verantwoord te verdelen? Is de opstelling weloverwogen, gegeven de weer- en terreinomstandigheden? 

Kent je de juiste inspecties van de vliegtuigen en de lier en weet je wat die inhouden en wie dit mogen doen? Er wordt gekeken of je controleert of de nodige inspecties zijn uitgevoerd en of de opstelling op de startplaats volgens jouw instructie is uitgevoerd? 

Zorg ervoor dat het vliegbedrijf ordelijk , veilig en efficiënt verloopt? Kijk naar alle starts en alle landingen. Grijpt op de juiste wijze in bij afwijkende situaties. Weet wat je moet doen bij calamiteiten. Geef solovliegende leerlingen, waar nodig, van een passende vluchtopdracht

en vervolgens van een adequate debriefing? Bouw op een logische wijze voort op het besprokene tijdens de briefing? Stimuleer de deelnemers aan het vliegbedrijf op een goede wijze gestimuleerd om wat bij te leren of een prestatie te leveren? 

8. Beëindiging vliegbedrijf

Ken de procedures en verdeel de taken goed? In geval van gedwongen beëindiging (bv. Door verslechterende weersomstandigheden), zorg je ervoor dat efficiënt, veilig en zonder paniek alles opgeruimd wordt. Zie erop toe dat er netjes wordt ingepakt en dat de nodige administratie wordt gedaan?  

9. Overlessen op een ander type

Laat de solist of ZVB-er plaats nemen in het voor hem nieuwe type zweefvliegtuig. Zie erop toe of hij/zij goed zit, overal bij kan, eventueel extra kussens nodig heeft. Speel goed in op de eerdere ervaringen van de leerling op het vorige type? Geef de verschillen met dat vorige type goed weer. Behandel de algemene eigenschappen van het vliegtuig kort en duidelijk? Spreek de vlucht goed door en vat de belangrijkste punten samen? 

10. Examen VO(L)/ (S) /(Zelfstart)

Je dient de opbouw van de zweefvliegopleiding goed te kennen. Je moet in staat zijn om het ervaringsniveau van de leerling goed in te schatten, zodanig dat de les en de briefing aansluiten bij het niveau van de leerling. Jouw briefings dienen duidelijk, puntsgewijs en met een samenvatting gegeven te worden. Je dient aan te kunnen geven waarom een bepaalde briefing zo gegeven wordt en niet anders. Natuurlijk dien je over een voldoende theoretische achtergrond te beschikken. Zelf moet je in staat zijn om soepel en veilig kunnen vliegen en alle oefeningen uit het handboek moet je kunnen demonstreren en tegelijk moet je uitleg kunnen geven. Je moet een zodanige vliegstandaard hebben dat je slechts hoeft in te grijpen als dat nodig is voor de veiligheid.  

Een instructeur neemt geregeld checkstarts af en laat soms iemand solo. Je moet kunnen aangeven waarom je iemand wel of niet nog niet solo laat vliegen. Behalve iemands recente  ervaring houd je ook rekening met een hoge of juist heel jonge leeftijd. 

Zorg ervoor dat je weet ,voor je een leerling voor de eerste keer solo laat, hoe hij/zij reageert op negatieve G. Wat doe je wanneer je ontdekt dat iemand paniekreacties vertoont bij negatieve G. Wat doe je als iemand vliegangst heeft, of steeds bij een bocht scheef tegen de helling in in de kist zit. Wie stimuleer je om prestaties te doen en wie rem je juist af. Wat doe je met overconfidente leerlingen en met leerlingen die zichzelf onderschatten?