1.10. VLIEGVELDEN EN LUCHTVAARTTERREINEN

1.10. AERODROMES, EXTERNAL TAKE OFF SITES (ICAO Annex 14)

ICAO Annex 14 en de EU verordening Nr. 139/2014 bevatten de richtlijnen en voorschriften voor de aanleg, inrichting, uitrusting, gebruik en beheer van luchthavens (aerodromes = AD). 

Zij regelen vooral de voorschriften voor de grote(re) burgerluchthavens waarvan commerciële luchtvaartmaatschappijen gebruik maken. De wetgeving over kleine luchthavens waar vooral de recreatieve luchtvaart gebruik van maakt, is grotendeels op nationaal niveau geregeld.

Voor de Nederlandse luchthavens en terreinen, waarop zweefvliegactiviteiten plaatsvinden, zijn van belang:

  • Hoofdstuk 8 van de Wet Luchtvaart 1992, hierna te noemen de Wet Luchtvaart;
  • Besluit burgerluchthavens 2009, hierna te noemen het BBL 2009;
  • Besluit militaire luchthavens 2009;
  • Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen 2009, hierna te noemen de RVGLT;
  • Regeling recreatieve luchtvaart op militaire luchthavens 2017;
  • Regeling seinen luchtvaart 2014;
  • Regeling technische voorschriften voor lieren, sleepauto’s en sleepkabels 2011, hierna te noemen de Regeling lieren en slepen;
  • Regeling voorzieningen sleepvliegen 2013;
  • Regeling onderhoud lieren 2001.

Dit hoofdstuk is onderverdeeld in:

  • 1.10.1 Begripsbepalingen
  • 1.10.2 Het zweefvliegterrein
  • 1.10.3 De lierstart
  • 1.10.4 Breukstukken
  • 1.10.5 De sleepstart
  • Samenvatting 1.10

In de  Regeling Technische voorschriften voor lieren, sleepauto's en sleepkabels vind je de voorschriften voor het lieren en slepen op zweefvliegvelden. Voor de volledige tekst zie:  http://wetten.overheid.nl/BWBR0029692/2011-03-08

1.10.1 BEGRIPSBEPALINGEN (Artikel 1)

  • lier: installatie, ingericht voor het doen opstijgen van een zweefvliegtuig door middel van een sleepkabel, welke installatie tijdens de opstijging van het zweefvliegtuig niet van standplaats verandert en de kabel op een daartoe bestemde kabeltrommel wikkelt;
  • sleepauto: zichzelf, door middel van een krachtwerktuig, voortbewegend voertuig, ingericht voor het doen opstijgen van een zweefvliegtuig door middel van een sleepkabel, dat zich tijdens de opstijging van het zweefvliegtuig in de startrichting voortbeweegt en waarbij tussen voertuig en zweefvliegtuig de volle lengte van de sleepkabel beschikbaar blijft;
  • sleepkabel: geheel van onderdelen, dat de verbinding vormt tussen de sleephaak van het zweefvliegtuig en een lier onderscheidenlijk een sleepauto;
  • breukstuk: onderdeel van een sleepkabel, dat bij een van tevoren vastgestelde belasting bezwijkt, waardoor de verbinding tussen het zweefvliegtuig en de lier onderscheidenlijk de sleepauto wordt verbroken;
  • lierman: persoon die verantwoordelijk is voor de bediening van de lier;
  • startman: persoon die verantwoordelijk is voor de gang van zaken bij het doen opstijgen van een zweefvliegtuig door middel van een sleepauto.
 
1.10.2 HET ZWEEFVLIEGTERREIN
Luchtvaartuigen mogen alleen opstijgen en landen op vliegterreinen. Voor zweefvliegtuigen geldt een uitzondering, zij mogen ook buitenlanden. Dit geldt niet voor TMG's (motorzwevers).
Hieronder staan de afmetingen van start en landingsbanen bij het zweefvliegen. Een zweefvliegterrein moet aan de volgende voorschriften voldoen: 
 
  1. Het terrein moet een lengte hebben die gelijk is aan de lengte van de lierkabel en minimaal 150 meter breed zijn. Het terrein moet vlak zijn en zonder obstakels die een gevaar kunnen opleveren bij een afgebroken start.
  2. Het startterrein moet ten minste 150 meter lang en 50 meter breed zijn.
  3. De opstelplaats voor de zweefvliegtuigen moet naast het startterrein zijn.
  4. Het landingsterrein moet een lengte van ten minste 75 meter en indien gelijktijdig met meerdere zweefvliegtuigen moet kunnen worden geland, per landend zweefvliegtuig een breedte van tenminste 2 keer de spanwijdte per zweefvliegtuig.
  5. Het landingsterrein moet duidelijk gemarkeerd zijn. Het moet zich naast de lierbaan, het startterrein en de opstelplaatsen bevinden.
  6. Het startterrein en het landingsterrein moeten vlak zijn (om beschadigingen aan het vliegtuig te voorkomen) en de lengte van het gras (gewas) mag geen gevaar voor het zweefvliegen vormen.
  7. In de invliegsector van het landingsterrein mogen geen hindernissen voorkomen met een helling van 1:20 (hoogte : afstand). Bij een hindernis van 10 meter hoogte is het begin van het landingsveld minstens 200 meter daarvan verwijderd.
  8. Aan de zijkanten van het veld mogen zich geen obstakels bevinden met een helling van 1:2 (hoogte afstand).
  9. Binnen een straal van 1200 meter rondom het zweefvliegterrein mogen zich geen hindernissen bevinden met een hoogte van 30 meter boven het zweefvliegterrein. Mocht dit wel zo zijn dan moet daar apart ontheffing voor worden aangevraagd aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat..
  10. Wanneer over een weg of over een spoorlijn geland wordt dan moet het begin van het landingsterrein minstens 55 meter van die weg verwijderd zijn.
  11. Op een duidelijk zichtbare plaats moet een windzak of vlag geplaatst worden om de windrichting te kunnen zien.
  12. Voor het motorzweven moet een terrein van minstens 60 meter breed en 600 meter lang aanwezig zijn. Binnen dit terrein moet een strook gemarkeerd worden van 30 meter breed en 300 meter lang. Die strook mag pas op minimaal 30 meter vanaf het begin van de baan beginnen.
  13. In de in- en uitvliegsectoren van het landingsterrein dat wordt gebruikt door motorzweefvliegtuigen, mogen geen hindernissen voorkomen met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) tot een afstand van 600 meter.
  14. Aan de zijkanten van het veld mogen zich geen obstakels bevinden met een helling van 1:5 (hoogte afstand) tot een afstand van 150 meter.
  15. De beheerder van het zweefvliegterrein moet er voor zorgen dat er een veilig gebruik van het zweefvliegterrein gemaakt kan worden.
  16. De beheerder moet maatregelen treffen voor een behoorlijk toezicht op de veiligheid en op de orde op het zweefvliegterrein. Ook dient van elke vlucht de start- en landingstijd bij te worden gehouden
  17. De beheerder is verplicht Onze Minister in te lichten omtrent onregelmatigheden in het gebruik van het terrein.
  18. De beheerder moet er voor zorgen dat starts en landingen worden bijgehouden.
  19. Gelijktijdig landen van zweefvliegtuigen en motorzweefvliegtuigen op dezelfde landingsbaan is niet toegestaan. Gelijktijdig landen van meerdere motorzweefvliegtuigen is ook niet toegestaan.
  20. Tijdens het gebruik van motorzweefvliegtuigen moeten op of nabij de baan voor motorzweefvliegtuigen brandblusmiddelen, bestaande uit ten minste een draagbaar blustoestel met een vulling van tenminste 9 kg bluspoeder aanwezig zijn.
  21. Indien een zweefvliegterrein is gelegen binnen een plaatselijk verkeersleidingsgebied (bijvoorbeeld een militaire CTR) dan moet voor het gebruik van dat zweefvliegterrein vooraf toestemming zijn verkregen van de plaatselijke verkeersleidingsdienst. 
  22. Starten en landen met een luchtvaartuig mag alleen op een luchthaven. Zweefvliegtuigen mogen buiten een luchthaven landen. 

1.10.3 DE LIERSTART

  1. Een lier omvat in ieder geval: 
    1. een liermechanisme, bestaande uit een motor, een kabeltrommel en een overbrengingsmechanisme;
    2. een kapinrichting;
    3. een kabelgeleiding;
    4. instrumenten voor controle van het lieren en de goede werking van de motor;
    5. afschermende delen tegen mogelijke gevaren die aan het verblijf op of nabij de lier zijn verbonden;
    6. een inrichting waarmee verhinderd wordt dat de lier tijdens het gebruik zodanig van stand verandert dat daardoor de veiligheid in gevaar wordt gebracht;
    7. een geel zwaailicht, zichtbaar op een afstand van ten minste 1500 m en dat in werking treedt zodra de kabeltrommel wordt ingeschakeld. 
  2. De verrichte werkzaamheden aan een lier dienen door een liertechnicus schriftelijk te worden vastgelegd en te worden ondertekend. De dagelijkse inspectie mag door een liertechnicus of een instructeur worden ondertekend. De liertechnicus kan ook een brevet houder schriftelijk machtigen om de dagelijkse inspectie af te tekenen. 
  3. De lier moet op een afstand van minstens 25 m van de rand van het veld geplaatst worden.
  4. De lierkabel moet op de lierbaan in een rechte lijn kunnen worden uitgereden.
  5. De vallende lierkabel mag niet buiten de grens van de luchthaven vallen en mag geen schade aan mensen of personen kunnen veroorzaken.
  6. De lierkabel die wordt gebruikt voor de opstijging met behulp van een lier omvat:

    1. een kabel van zodanige lengte dat bij een windsnelheid van 0 m/s het zweefvliegtuig bij normaal bedrijf een hoogte van ten minste 250 m kan bereiken
    2. een breukstuk van de voorgeschreven nominale sterkte;
    3. een ring ter bevestiging van de kabel aan het zweefvliegtuig.
  7. De lierkabel en het voorloopstuk e.d. moeten een trekkracht van ten minste 1,5 maal de nominale sterkte van het breukstuk bezitten.
  8. Kapotte lierkabels worden aan elkaar verbonden door middel van splitsen of ten minste twee klemmen. Binnen 100 meter van een lierkabel mogen er niet meer dan twee van deze verbindingen zijn.
  9. De lierman moet vrij uitzicht naar alle kanten hebben en het zweefvliegtuig dat hij opliert gemakkelijk kunnen zien.
  10. Bij het starten en landen mogen zich in de lierbaan en op het start- en landingsterrein geen onbevoegde personen bevinden'
  11. Starten met de liermethode mag alleen als de kabels binnen de begrenzing van het zweefvliegterrein kunnen vallen en geen letsel kunnen veroorzaken aan personen.
  12. Gelijktijdig opstijgen van meerdere zweefvliegtuigen en/of motorzweefvliegtuigen is niet toegestaan.
  13. Het gebruik van een kabelchute is wettelijk niet verplicht,  wordt er wel één gebruikt dan mag de chute een maximale doorsnede hebben van 2 meter. 
  14. De afstand tussen de ontkoppelhaak van het zweefvliegtuig en de chute bedraagt minimaal 30 meter. 

1.10.4 BREUKSTUKKEN (AIC-B 04-2015)

In het schema zie je welk breukstuk we waarvoor gebruiken. Als de vlieger niet precies weet welk breukstuk hij moet gebruiken, dan zoekt hij dit op in het vliegtuighandboek. Dit handboek hoort in elk zweefvliegtuig aanwezig te zijn. Hier staat o.a. in welk breukstuk voor dit vliegtuig bij de lierstart en welk bij de sleepstart gebruikt moet worden.

Kleur Breuksterkte Gebruikt voor
Groen 3 kN vliegtuigsleepstart van eenzitters
Geel 4 kN vliegtuigsleepstart van eenzitters en tweezitters
Wit 5 kN vliegtuigsleepstart van tweezitters en voor lierstart van sommige eenzitters
Blauw 6 kN lierstart van de meeste eenzitters
Roze 6,9 kN lierstart van sommige eenzitters
Rood 7,5 kN lierstart van sommige eenzitters
Bruin 8,5 kN lierstart tweezitters
Zwart 10 kN lierstart tweezitters


 1 kN = 1000 Newton of ongeveer 100 kgf (kilogramkracht).

1.10.5 DE SLEEPSTART

  • Voor het slepen van zweefvliegtuigen beschikt het sleepvliegtuig over een sleephaak die de sleepvlieger kan ontkoppelen of een kabel met een oprolautomaat die voorzien is van een kapinrichting.
  • De sleepbaan moet minimaal 600 meter lang zijn en 30 meter breed. Er dient een afwerpplaats voor de sleepkabel te zijn waarbij het vallen van de kabel geen letsel aan personen of schade aan zaken kan aanrichten.
  • Het tegelijk starten of landen van een TMG of sleepvliegtuig en een zweefvliegtuig is niet toegestaan.
  • Wanneer de zweefvliegtuigen landen naast de startbaan van het sleepvliegtuig dan moet er minimaal 55 m ruimte zitten tussen de as van de landingsbaan en de as van de sleepbaan.
  • Sleepvluchten mogen plaatsvinden als op de startplaats blusmiddelen aanwezig zijn. Ook moet er iemand zijn die weet hoe en waar mee geblust moet worden en op de startplaats moet een EHBO-trommel aanwezig zijn.

Regeling voorziening sleepvliegen

(zie:http://wetten.overheid.nl/BWBR0012875/2013-10-01)

  • Tijdens een sleepvlucht mogen geen kunstvluchten worden uitgevoerd.
  • Tijdens het slepen mag het sleepvliegtuig geen tweede persoon meenemen. Alleen als iemand wordt opgeleid tot sleepvlieger dan mag een sleepvlieger een tweede persoon meenemen. 
  • Een sleepkabel moet bestaan uit: - een breukstuk, zo dicht mogelijk geplaatst bij de sleephaak van het zweefvliegtuig en voorzien van een sterkte zoals vermeld in het vlieghandboek van het zweefvliegtuig.- een sleepkabel die voldoende lang en voldoende sterk is. Hij moet zo lang zijn dat aan de bestuurbaarheid en stabiliteit van het sleepvliegtuig wordt voldaan en zo sterk dat hij minimaal 1,5 maal sterker is dan het gebruikte breukstuk.- gladde ringen, passend om de sleephaken van het zweefvliegtuig en het sleepvliegtuig. Deze ringen mogen het ontkoppelen niet belemmeren. NB: Het gebruikte breukstuk mag de toegelaten waarde vermeld in de sleepbijlage van het vlieghandboek van het sleepvliegtuig NIET overschrijden!
  • Het afwerpen van de sleepkabel door een sleepvliegtuig vindt alleen plaats als de sleepkabel niet buiten de grens van de luchthaven kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
  • Het gelijktijdig landen of starten van een zweefvliegtuig, een TMG of een sleepvliegtuig is niet toegestaan, behalve in het geval van de koppeling van een zweefvliegtuig aan een sleepvliegtuig
  • De minimum vlieghoogte bij een horizontale sleep bedraagt 425 meter boven de grond.(zie: http://wetten.overheid.nl/BWBR0033888/2014-12-12

 

Samenvatting 1.10

De belangrijkste eisen aan een zweefvliegterrein zijn:

  • Het startterrein is tenminste 150 meter lang en 50 meter breed, vlak en zonder obstakels die een gevaar kunnen opleveren.
  • Het landingsterrein heeft een lengte van tenminste 75 meter en een breedte van tenminste 2 keer de spanwijdte per zweefvliegtuig.
  • Het landingsterrein moet duidelijk gemarkeerd zijn, moet zich naast de lierbaan, het startterrein en de opstelplaatsen bevinden. 
  • Het startterrein en het landingsterrein moeten vlak zijn en de lengte gras (gewas) mag geen gevaar voor het zweefvliegen vormen.
  • In de invliegsector mogen geen hindernissen voorkomen met een helling van 1:20 (hoogte : afstand). Bij een hindernis van 10 meter hoogte is het begin van het landingsveld minstens 200 meter daarvan verwijderd.
  • Aan de zijkanten van het veld bij lieren mogen zich geen obstakels bevinden met een helling van 1:2 (hoogte afstand) en bij slepen of de motorzweven 1:5.

  • Het begin van het landingsterrein is minstens 55 meter van een weg verwijderd.
  • Een windzak op een duidelijk zichtbare plaats.
  • Voor motorzweven een terrein van minstens 60 meter breed en 600 meter lang.
  • Starts en landingen moeten worden bijgehouden.
  • Gelijktijdig landen van zweefvliegtuigen en motorzweefvliegtuigen op dezelfde landingsbaan is niet toegestaan.
  • Gelijktijdig landen van meerdere motorzweefvliegtuigen is ook niet toegestaan.
  • Bij gebruik van motorzweefvliegtuigen moeten brandblusmiddelen aanwezig zijn.

Een lier omvat in ieder geval:

  • Een liermechanisme, bestaande uit een motor, een kabeltrommel, een overbrengings-mechanisme; een kapinrichting; een kabelgeleiding
  • Afschermende delen
  • Een geel zwaailicht, zichtbaar op 1500 m
  • Afstand van minstens 25 m van de rand van het veld
  • De lierkabel moet in een rechte lijn worden uitgereden.
  • De vallende lierkabel mag niet buiten de luchthaven vallen en mag geen schade aan mensen of personen kunnen veroorzaken.
  • De lierkabel heeft zo’n lengte dat bij een windsnelheid van 0 m/s het zweefvliegtuig een hoogte van ten minste 250 m kan bereiken
  • Een breukstuk van de voorgeschreven sterkte.
  • Lierkabel en voorloopstuk moeten een trekkracht van ten minste 1,5 maal de sterkte van het breukstuk bezitten.
  • Kapotte lierkabels worden aan elkaar verbonden door middel van splitsen of ten minste twee klemmen.
  • Binnen 100 meter niet meer dan twee splitsen.
  • De lierman moet vrij uitzicht naar alle kanten hebben
  • Bij het starten en landen mogen zich in de lierbaan en op het start- en landingsterrein geen onbevoegde personen bevinden’
  • De lierkabels mogen geen letsel kunnen veroorzaken.
  • De lierhoogte overschrijdt niet de ondergrens van de ter plaatse geldende TMA.
  • Het gebruik van een kabelchute is wettelijk niet verplicht, wordt er wel één gebruikt dan mag de chute een maximale doorsnede hebben van 2 meter.
  • De afstand tussen ontkoppelhaak en de chute bedraagt minimaal 30 meter.

De belangrijkste eisen voor een sleepbedrijf zijn:

  • Een sleepbaan van minimaal 600 meter lang en 30 meter breed.
  • Een afwerpplaats voor de sleepkabel
  • Er moet minimaal 55 m ruimte zitten tussen de as van de landingsbaan en de as van de sleepbaan.
  • Tijdens een sleepvlucht geen kunstvluchten.
  • Het sleepvliegtuig mag geen tweede persoon meenemen (behalve voor sleepinstructie).
  • Een sleepkabel bestaat uit: - een breukstuk, zo dicht mogelijk bij de sleephaak van het zweefvliegtuig, voorzien van een sterkte zoals vermeld in het vlieghandboek van het zweefvliegtuig, maar niet hoger dan het maximale breukstuk in het handboek van het sleepvliegtuig.
  • De kabel moet zo lang zijn dat aan de bestuurbaarheid en stabiliteit van het sleepvliegtuig wordt voldaan en zo sterk dat hij minimaal 1,5 maal sterker is dan het gebruikte breukstuk.
  • Het gelijktijdig landen of starten van een zweefvliegtuig en een sleepvliegtuig is niet toegestaan, behalve in het geval van de koppeling van een zweefvliegtuig aan een sleepvliegtuig
  • De minimum vlieghoogte bij een horizontale sleep bedraagt 425 meter boven de grond.

Toegestane breukstukken en sterkte:

  • Groen 3 kN 
  • Geel 4 kN 
  • Wit 5 kN 
  • Blauw 6 kN 
  • Roze 6,9 kN 
  • Rood 7,5 kN 
  • Bruin 8,5 kN 
  • Zwart 10 kN