‘Als je eenmaal het vliegen geproefd hebt, dan zul je over de aarde lopen met je ogen naar de hemel gericht,want daar ben je geweest en je verlangt om daar weer naar terug te keren.’

Veel Friezen begrijpen deze woorden van Leonardo da Vinci. Of het nu ballonvaarders, modelvliegers, sportvliegers, zweefvliegers of para’s zijn, allemaal kijken ze verlangend uit naar hun volgende vlucht.

Da Vinci (1452 –1509) schetste het principe van de parachute. Hij schrijft: ‘Wanneer iemand een linnen tent maakt met een doorsnede van 12 el en een diepte van 12 el, dan kan hij zich van elke grote hoogte omlaag storten zonder enig letsel op te lopen’.

In 2008 maakte de Zwitser Oliver Vietti-Teppa een sprong met een parachute volgens de tekeningen van Leonardo. Hij is er veilig mee geland.

Het vliegen begon echter met een ballon. In 1783 maakten de gebroeders Montgolfier een heteluchtballon. Passagiers waren een schaap, een eend en een haan. De dieren overleefden de vlucht en de broers maakten een grotere ballon. Twee ter dood veroordeelde gevangenen mochten in de mand plaatsnemen en daarmee was de luchtvaart een feit. Voortaan varen mensen door het luchtruim en leggen ze aan bij luchthavens. Even leek het erop dat de ballon het nieuwe vervoermiddel zou worden. Door een aantal dramatische ongelukken zou de grote luchtvaart zich in een andere richting ontwikkelen. De ballon is nu uitsluitend voor sportief gebruik. In 1986 stegen er 50 ballonnen op in Joure. Dat was het begin van de beroemde ballonfeesten. De ballondagen trekken elk jaar duizenden mensen naar Balloon-city.

Ballonfeesten Joure

Vliegweken Luchtvaart spreekt tot de verbeelding. De open dagen van vliegbasis Leeuwarden trekken steevast honderdduizenden bezoekers. Na het succes in Heerenveen van de vliegende mens Clément van Maasdijk in 1910, werden meer vliegweken georganiseerd.

Jan Olieslagers op 2 september 1910 op de Wilhelminabaan in Leeuwarden

In september 1910 kwam de succesvolle wielrenner, motorracer en sportvlieger Jan Olieslagers naar Leeuwarden. ‘De bevolking van Leeuwarden was op vrijdag verdubbeld’, zo schreef de Leeuwarder Courant. ‘Er waren meer toeschouwers dan tijdens het bezoek van de koningin.’ De eerste dag moesten de 7.500 bezoekers wachten tot acht uur om een vlucht van acht minuten te zien. Ze waren uitzinnig van vreugde. De entree was 60 cent en Jan Olieslagers, de Antwerpse Duivel, ontving ƒ6500,- voor het vertonen van zijn vliegkunsten. Een landarbeider verdiende toen 10 cent per uur. De helden van het luchtruim waren in het begin van de 20ste eeuw net zo populair als topvoetballers nu. Olieslagers ontving brieven en ansichtkaarten uit de dorpen rondom Leeuwarden. De Leeuwarder Courant van 20 september 1910 liet de briefschrijvers weten: ‘Ik ga ze daarvoor bedanken’, zei Olieslagers gisteren even voor hij in zijn toestel stapte en werkelijk heeft hij op dien tocht nog een laatsten groet aan de dorpen rondom Leeuwarden gebracht.

De schrijver Theun de Vries beschrijft in zijn boek De vertellingen van Wilt Tjaarda dat hij, als zesjarig jongetje, met zijn moeder een vliegfeest bezoekt. In 1913 reizen ze met de paardentram van Veenwouden via Bergum naar het veld waar de vliegshow gehouden wordt. Hij beschrijft de opgewonden sfeer onder de duizenden bezoekers. Zelfs zijn moeder wordt er door aangestoken. Een groep jongeren zingt een lied.

‘Wat zingen ze, moeder?’ vroeg ik. ‘Een ondeugend liedje Wilt,’ zei ze. Het gaat over een vliegenier die Olieslagers heet.’ En zij neuriede zo maar het liedje van de rumoerige jongelui na met een lichtvaardigheid die ik nog nooit bij haar had gezien: Als Olieslagers dood is Dan krijgen we misschien De helft van zijne centen En ook zijn vliegmachien Olieslagers, Olieslagers,- Wat een reuzenvent is dat. ‘Vliegt Olieslagers hier vandaag ook, moeder?’ vroeg ik. ‘Nee zei moeder,’die weer wat van haar lichtzinnige bevlieging bekomen leek. ‘Jammer genoeg niet. Hij is geweldig, zeggen ze. Hij maakt de gekste kunsten in de lucht.’

Leeuwarder Zweefvliegclub De luchtvaartpioniers hadden veel los gemaakt. Sommige Friezen wilden zelf leren vliegen. Eén van hen was Roelf Huizinga uit Murmerwoude (nu Damwâld). Hij zag in dat de luchtvaart een belangrijk vervoermiddel zou gaan worden en daarom moest ook Friesland een eigen vliegveld hebben.

 

Boven: Oproep in de Leeuwarder Courant op 28 april 1932 Links: Roelf Huizinga uit Damwâld (Damwoude).

 

Hij richtte in 1932 de Leeuwarder Zweefvliegclub op. Bij het Kalverdijkje werd een hangar gebouwd en de club kocht een Zögling, een zweefvliegtuig met als registratie de PH-6.

Leden van de Leeuwarder Zweefvliegclub. Achter de stuurknuppel ir. Kramer en rechts van hem Roelf Huizinga.

In 1932 werden de eerste rubberkabelstarts gemaakt. Bij die startmethode wordt door middel van lange rubberen kabels gestart. Aan beide uiteinden van de elastische kabel staan een aantal mannen te trekken, anderen houden het zweefvliegtuig tegen. Vervolgens wordt het toestel losgelaten en als een katapult de lucht in geschoten. Na een glijvlucht van enige tientallen meters is de pret weer voorbij, tenzij je, zoals bijvoorbeeld soms in de duinen, door opwaartse wind een langere vlucht kunt maken. De Leeuwarder Courant schreef op 14 november 1932:

De aanwezigen hebben starts gezien met 20 en 50 m gummikabel. Later werd, om de kist iets hooger te brengen, een staalkabel van 100 respectievelijk 200 m ingebracht. Met groote zekerheid volbracht de heer Stoll, de instructeur van de Groninger club, zijn sprongen en de aanwezigen hebben kunnen zien hoe in een korten tijd een flinke hoogte kan worden bereikt. Deze hoogten waren juist genoeg om de leerlingen hun A-brevet te doen halen, dus vluchten van 30 en 40 seconden duur.

Leeuwarder Zweefvliegclub 1933 staand rechts Roelf Huizinga

Virus De Leeuwarder Zweefvliegclub groeide snel en had in 1933 al 60 leden. Heinrich Stoll van de Groninger Zweefvliegclub kwam les geven, omdat er in Leeuwarden nog geen eigen instructeur was. Roelf Huizinga was instructeur in opleiding.

          Leeuwarder Courant 7 juli 1933

Leeuwarder Zweefvliegclub 1933 zittend tweede van rechts Roelf Huizinga

Tijdens een vliegfeest in Grijpskerk verongelukte instructeur Stoll. Ruim een week later, tijdens een zomerkamp in augustus op het vliegveld Soesterberg, maakte Roelf Huizinga een vlucht met de PH- 4, ook een Zögling. Ze startten volgens de autolierstartmethode. Daarbij wordt een lange kabel aan een auto bevestigd. De auto trekt het zweefvliegtuig als een vlieger omhoog. Wanneer het toestel op de maximale hoogte van de kabel is, trekt de piloot aan een ontkoppelingshaak waardoor de kabel valt en het zweefvliegtuig los van de kabel verder vliegt. Maar het noodlot sloeg opnieuw toe. Het zweefvliegtuig ontkoppelde niet, de kabel trok het toestel in een duikvlucht omlaag, de vleugels braken af en het zweeftoestel stortte omlaag. De 30-jarige Roelf Huizinga was op slag dood. De Leeuwarder Zweefvliegclub was zwaar aangeslagen, ze verkochten hun PH-6 en de club werd opgeheven.

In 1938 werd opnieuw geprobeerd om weer een zweefvliegclub te beginnen, maar daar kwam door de Tweede Wereldoorlog niets van terecht. Tijdens de oorlog lag het zweefvliegen overal stil. Pas in 1950 werd er weer een zweefvliegvereniging opgericht. Er werden in dat jaar een paar starts gemaakt. De vereniging beschikte over slechts één zweefvliegtuig en dat raakte bij een harde landing beschadigd.

In 1956 werd de huidige club opgericht, de Friese Aero Club. In meer dan 50 jaar werden ruim 150.000 starts gemaakt. Zweefvliegen werkt aanstekelijk: hele families doen het. Zweefvliegen is voor hen meer dan een sport, het is een levensstijl. Ze zijn er elke dag mee bezig, ze scannen de lucht om aan de hand van de wolken een vliegroute te bepalen. Ook de weekenden en vakanties staan in het teken van vliegen. De Friese Aero Club telt momenteel een kleine 100 leden die per jaar zo’n 3.000 starts maken. Uiteindelijk is zweefvliegen de basis van al het vliegen. Zelfs de astronauten van de Spaceshuttle zijn eigenlijk zweefvliegers, want na elke ruimtereis landen ze zonder motor als een zweefvliegtuig.

Anders de lucht in Er zijn nog meer takken van vliegsport, zoals het modelvliegen, dat minstens zo oud is als het zweefvliegen. Luchtvaartpioniers als de gebroeders Wright oefenden eerst met modelvliegtuigen voordat ze zelf de lucht in gingen. Er zijn een aantal Friese modelvlieg-verenigingen. Op de vliegbasis zit vereniging Aeria, die al ruim zestig jaar bestaat. Daar kun je je eigen gebouwde modelvliegtuig uitproberen. Modellen van zweefvliegtuigen met een breedte van meer dan drie meter worden omhoog gesleept. De leden van Aeria nemen deel aan landelijke en internationale wedstrijden. Daarnaast is het motorvliegen ook populair. Op vliegveld Drachten kun je vliegen in een motorvliegtuig of ultralight. Het veld met een verharde baan van 950 meter lang is in 1962 aangelegd voor de managers van Philips. In 1980 kwam het in handen van de gemeente die het onderbracht in de Stichting Vliegveld Drachten. Vliegclub Fryslân, met zo’n 120 leden, heeft er een vliegschool. Er worden er jaarlijks zo’n 8.000 starts gemaakt. Ook op Ameland (Ballum) is een vliegveld voor de lichte luchtvaart. Het vliegveld dient nu voor recreatieve vluchten, maar is oorspronkelijk aangelegd om het isolement van het eiland in strenge winters te doorbreken. IJsgang op de Waddenzee maakte personen- en goederenvervoer vaak onmogelijk. Bij het paracentrum op Ameland kan men parachutespringen. Er worden tegenwoordig spectaculaire sprongen van grote hoogte gemaakt. Para’s leven van de kick om met een hoge hartslag te springen, een minuut lang te vallen en vervolgens met hun parachute te landen. Zo hebben honderden Friezen al de smaak van het vliegen te pakken gekregen. Ze vliegen zelf, laten hun modellen vliegen, of kijken naar alles wat in het luchtruim voorbijkomt. Vijfhonderd jaar na Da Vinci delen ze hetzelfde verlangen.

Dirk Corporaal juli 2010