OPLEIDING INSTRUCTIE ZWEEFVLIEGEN (bevoegdheid LAPL FI(S))

Om instructeur te worden moet je:

  1. Tenminste 18 jaar zijn
  2. Minimaal 100 vlieguren en 200 starts als gezagvoerder op zweefvliegtuigen en 30 uur als PIC voor de bevoegdheid vlieginstructie op een TMG.
  3. Binnen zes maanden voor de opleiding tot instructeur slagen voor een toelatingsvliegtest waar beoordeeld wordt of de kandidaat geschikt is voor instructeur.
  4. Een theorieopleiding van tenminste 30 uur voor instructeur aan een DTO hebben gevolgd en voor het theorie-examen zijn geslaagd.
  5. Een praktijkopleiding doen van minimaal 25 uur instructietechniek en voor de TMG bovendien 6 uur dubbelbesturingsonderricht op TMG's.
  6. Slagen voor een praktijkexamen bij een DTO.

Wat moet een instructeur kennen en kunnen: 

Hij/zij moet:

  1. boven de stof van het LAPL(S) staan;
  2. de lesstof voor het LAPL(S) over kunnen dragen aan zweefvliegers;
  3. heldere briefings en vluchtopdrachten kunnen geven, aangepast aan het niveau van de leerling en aansluitend op eerdere lessen. De briefings dienen: niet te lang te zijn, een heldere opbouw te hebben, controlerende vragen en een samenvatting van de briefing te bevatten.
  4. in staat zijn om op een soepele wijze een veilig en efficiënt vliegbedrijf te leiden;
  5. zelf soepel en veilig kunnen vliegen en in staat zijn alle oefeningen volgens het instructeurshandboek te demonstreren en tegelijkertijd uitleg te geven;
  6. een leerling verbaal kunnen corrigeren en pas ingrijpen als dat echt nodig is zonder daarbij de veiligheid in gevaar te brengen.

De opleiding voor FI (S).
Voorafgaand aan de opleiding moet je slagen voor een door een lokale mentor (FiFi) afgenomen “toelatingsvliegtest”. Op basis daarvan meldt de Head of Training van de DTO jou aan bij de landelijke coördinator voor de opleiding.

Vervolgens verdiept je je door zelfstudie en/of regionaal georganiseerde cursussen in de theorie zoals die ook geldt voor het LAPL. Deze fase wordt afgesloten door deelname aan landelijke “voortgangstoetsen theorie”. Deze worden landelijk georganiseerd en mondeling afgenomen waarbij dezelfde clustering tot 6 toetsen wordt gehanteerd die ook geldt voor de LAPL-theorie. Daarbij ligt de nadruk niet alleen op het paraat hebben van deze kennis, maar ook op het kunnen overbrengen ervan. Deze toetsen worden afgenomen door FIFI’s.

De volgende fase betreft de didactiek van briefings die een instructeur moet beheersen en hij/zij moet klassikaal theoretisch onderricht geven, onder begeleiding van de lokale mentor. Deze fase wordt afgesloten met een “voortgangstoets didactiek”. Hiervoor wijst de landelijk coördinator een Fi.Fi aan.

Daarna begint de praktijkopleiding:

  • als kandidaat-instructeur maak je alleen mentorstarts en géén starts met leerlingen;
  • het leidinggeven aan een vliegbedrijf is geen EASA-verplicht onderdeel meer van de opleiding, alleen de begeleiding van solo-vliegende leerlingen is een verplicht onderdeel. Jouw club kan bepalen dat dit wel een onderdeel van jouw instructeursopleiding wordt.

Wanneer de opleiding geheel is afgerond volgens het trainingsprogramma, kan de Head of Training van de DTO de kandidaat voordragen voor het praktijkexamen.

Na het slagen voor het praktijkexamen gaat de kandidaat onder toezicht van een door de DTO aangewezen instructeur (doorgaans zal dat de mentor zijn) instructie geven. Nadat de kandidaat stagestarts heeft gemaakt voor het volledige opleidingsprogramma, kan de Head of Training besluiten de restrictie tot het geven van instructie onder toezicht te laten vervallen en is de kandidaat volwaardig instructeur.

------------------------------------------------------------------------

DE PRAKTIJKOPLEIDING VOOR INSTRUCTEUR

Hieronder wordt ervan uitgegaan dat je geslaagd bent voor de voortgangstoetsen en dat de club jou vraagt om aan de praktijkopleiding te beginnen. 

Beste instructeur i.o. (in opleiding), 

Het instructeurscollege heeft besloten om jou op te leiden tot instructeur. Het instructeurscollege vindt dat jij geschikt bent om instructeur te worden, je hebt de theorieopleiding gedaan en bent geslaag voor de voortgangstoetsen voor instructeur.  Twee instructeurs zijn aangewezen als jouw mentoren. Op de site van de CIV vind je het Handboek Zweefvlieginstructeur en je krijgt een Werkboek Zweefvlieginstructeur toegestuurd. Neem dat werkboekje elke oefendag mee naar het veld. Aan het eind van elke dag noteer jij wat je geleerd hebt en jouw mentor plaatst daaronder zijn/haar opmerkingen en tips. Zorg ervoor dat je elke oefendag dat even invult.  

De praktijkopleiding voor instructeur kan in een jaar worden afgerond. Voorwaarde is wel dat jij bereid bent en tijd vrij kunt maken om een jaar lang intensief aan de instructeursopleiding te besteden. Wij (jouw mentoren) leiden jou op voor het leiden van het grondbedrijf, het leiden van een lierbedrijf en het leiden van een sleepbedrijf. De opleiding bestaat uit minimaal 15 hele vliegdagen. Op die 15 vliegdagen maken we in totaal minimaal 30 mentorstarts. De eerste opleidingsdagen bestaat uit het leiden van het grondbedrijf en het maken van mentorstarts. Zorg ervoor dat de mentorstarts er niet bij inschieten. We maken minimaal 2 per vliegdag en we werken gewoon de oefeningen die achter in het zweefvlieglogboekje staan allemaal af.  Wanneer alle praktijkdagen en mentorstarts  gedaan zijn en jouw mentoren vinden dat jij klaar voor het examen bent, dan vragen de mentoren het praktijkexamen voor je aan. Op die dag komen èèn of twee examinatoren controleren of de mentoren jou goed opgeleid hebben en dat moet een feestelijk afsluiting van jouw instructeuropleiding worden. Daarna begin je met het maken van stagestarts met leerlingen. 

Instructie geven is een heel boeiend vak. Op alle zweefvliegvelden zie je enthousiaste  instructeurs die, geheel onbetaald, onze mooie sport aan anderen willen leren. Je zult merken dat bij elke leerling de zweefvliegopleiding anders verloopt. De ene leerling vordert snel en zit ver voor de vijftig starts al op solo-niveau,  andere leerlingen hebben er meer moeite mee en komen later solo. Jij mag ze helpen om goede en veilige zweefvliegers te worden. Elke instructeur heeft zijn eigen stijl van instructie geven. Tijdens jouw opleiding voor instructeur en de jaren daarna ontwikkel jij jouw stijl. Het doel van dit schrijven  is om jou daar bij te helpen en tevens om te zorgen voor eenheid in de zweefvliegopleiding. Jouw mentoren hopen dat jij samen met hen wilt helpen om het instructiepeil te verhogen.   

In veel handboeken kun je nuttige info vinden over hoe je zo goed mogelijk instructie kunt geven. Die boeken worden bij de literatuur genoemd. Een heel belangrijk boek dat je moet lezen is: Instructie Zweefvliegen. In dit levenswerk heeft een zeer ervaren instructeur nuttige kennis die hij heeft opgedaan als instructeur in Nederland en Engeland verzameld en daar kennis van andere instructeurs aan toegevoegd.  

Heel veel succes met de instructeursopleiding.  

Dirk Corporaal